
De Eeuwige zei tegen Mosje: ‘Geef Aharon en zijn zonen de volgende instructies. Dit zijn de voorschriften voor het brandoffer: Het brandoffer moet de hele nacht op het altaar blijven branden, het vuur op het altaar mag niet doven.’ (Wajikra [Leviticus] 6:1-2)
Precies zoals de Ner Tamid
een kenmerk van onze hedendaagse synagogen is geworden, zo zou
ook de passie van de priester binnenin ons moeten branden.
HET COMMENTAAR VAN DE WEEK
Rabbijn Pinchas Peli schreef: Drie pesoekim (verzen)
later: “Het vuur op het altaar moet blijven branden, het mag
niet doven” (Wajikra 6:5) en nog eens, in de daarop volgende
pasoek, “Het vuur op het altaar moet steeds blijven branden,
het mag niet doven.” (Wajikra 6:6).
(In de originele Engelse tekst becommentarieert rabbijn Cohen de
Engelse vertalingen van de bovenstaande aanhalingen. Hij wijst
erop dat alleen de Authorized King James Version, [vergelijkbaar
met de Statenvertaling] in dit geval trouwer is aan het
Hebreeuwse origineel dan alle andere Engelse vertalingen. De King
James Version maakt immers een duidelijk onderscheid maakt tussen
het vuur, dat brandt op het altaar (al ha-mizbeach) en het vuur, dat er in brandt (tukad bo), of, zo men wilt, in hem, namelijk in de dienstdoende priester. Op dezelfde wijze gaat het onderscheid tussen op en in het altaar verloren zowel in de Dasberg-vertaling als in de Nieuwe Bijbelvertaling waaruit bovenstaand citaat komt. DL).
Het is niet genoeg om een vuur brandend te hebben op het
altaar, zegt een chassidische interpretatie scherp, en legt zo de
nadruk erop dat er ook een ‘eeuwig vuur’ van enthousiasme in ons
moet zijn als we God waarachtig willen eren.
Uit: Peli, Torah Today, A Renewed Encounter with Scripture, (Washington: B’nai Brith Books, 1987), p. 111
| Gelezen wordt: Dasberg choemasj deel II, blz. 9 Haftara: Jirmijahoe 7:21-8:3, 9:22-23 Dasberg choemasj deel II, blz. 233. |
Klik op het logo om verder te lezen op de website van de LJG.












