Parsja 32 Metsora (Wajikra/Leviticus 14:1-15:33)


Metsora (melaatse). Wie genezen wordt verklaard van tsara’at moet een offer brengen, al het lichaamshaar afscheren, baden, de kleding wassen en nog zeven dagen wachten alvorens terug te keren naar de legerplaats. Uitvoerig is beschreven hoe het offeren moet geschieden.


Indien een huis aangetast (b)lijkt door tsara’at dan moet het huis
leeggeruimd worden en ook hier moet de koheen een oordeel over geven.
Als de aandoening aan het huis zich uitgebreid heeft, dan moet het huis
afgebroken worden en al het puin moet naar een onreine plaats gebracht
worden. Heeft de uitslag zich niet uitgebreid nadat het huis
bepleisterd is, dan is het rein. Ook thans moet een offer gebracht
worden. Vloeiingen veroorzaken onreinheid. Als de vloeiing ophoudt moet
men in het mikwe gaan, kleren wassen en een offer brengen. Na
samenleving moeten man en vrouw baden en ze zijn onrein tot de avond.
Een vrouw die buiten de normale periode vloeit is ook onrein, tot het
einde van de vloeiing, waarna ze zeven reine dagen telt en een offer
brengt.

Metsora is de 32e parsja


Koheen 14:1?14:12 en Levie 14:13-20
De reiniging-procedure voor de melaatse geschiedt met twee vogels, cederhout, rode wol en hysop.


Melaatsheid is geen normale ziekte. Het is een inmenging van
Boven. G’d grijpt in in het intermenselijke verkeer! Roddelen is
anti-religieus omdat een godsvruchtig individu zich voornamelijk met de
relatie mens-G’d bezig houdt en zich niet zo druk zou moeten maken over
de vraag of  ‘others grass greener’ is. Melaatsheid is psychosomatiek.
Een spirituele aandoening krijgt lichamelijk gestalte in witte vlekken.
Om rein te worden moest de melaatse twee vogels offeren. Volgens de
Zohar gaf een vogel verzoening voor kwaadspreken en verzoende de andere
voor het gebrek aan positief praten. Soms kan een klein compliment
iemands dag weer helemaal goed maken. Beide ‘zonden’ stammen uit een
gemeenschappelijke oorsprong: alleen maar kijken naar het negatieve.
Lesjon hara is niet zozeer een verbale overtreding maar veeleer een
negatieve levenshouding. Hetzelfde glas kan evengoed half leeg als half
vol zijn. Een kwestie van perceptie. Kwaadsprekerij pikt overal de
negatieve aspecten uit, vergroot die en creeert negatieve gevoelens,
die bij een positieve attitude juist veel goeds had kunnen genereren.
Wanneer we op het negatieve gefocust zijn, worden we verbitterd en
agressief. We doen anderen tekort maar het meest treffen we onszelf.
Niet alleen kwaadspreken is slecht maar ook het weigeren het positieve
in de wereld te zien en te benadrukken.
 
“Ook cederhout, rode wol en hysop” (14:4) Rode wol en
hysop geven aan dat wij ons moeten vernederen als een worm (rode wol
betekent in het Hebreeuws ook worm) en als de lage hysopplant. Waarom
is het cederhout als symbool voor hoogmoed voorgeschreven? De volgorde
van de ingredienten is ook niet logisch. Van hoog naar laag had het
moeten luiden: cederhout, hysop en rode wol?!

Maimonides schrijft in Hilchot De’ot (1:4) dat de gulden
middenweg de optimale levensweg vormt op ieder terrein. Wanneer men
echter eenmaal vervallen is tot extreem gedrag, kan men hier alleen uit
komen door over te hellen naar het andere extreme. Daarna kan men
langzaam terugkeren tot de gulden middenweg (2:2). Toch is hoogmoed
anders dan alle andere verwerpelijke eigenschappen: “Er zijn
eigenschappen waar men nooit middelmatig in mag zijn. Zo moet men zeer
ver blijven van hoogmoed. We moeten niet alleen bescheiden zijn, maar
ook nederig en zeer ingetogen. Daarom staat er bij Mosje Rabbenoe ook
dat hij bijzonder nederig was (2:3).

Advertentie (4)