
In een discussienota van D66 staat dat bijzondere scholen een acceptatieplicht moeten krijgen opgelegd, alleen ‘orthodoxe’ (lees: religieuze) scholen met een strikt toelatingsbeleid zouden daarvan vrijgesteld moeten worden.
Andere voorstellen omvatten o.m. het recht van ouders in zowel het
bijzonder als het openbaar onderwijs de grondslag van de school te
wijzigen en een nauwere controle op de inhoud van het lesprogramma door
de onderwijsinspectie. Om de voorstellen van D66 in werken te laten
treden is een wijziging van artikel 23 van de Grondwet over de vrijheid
van onderwijs noodzakelijk.
De nota, opgesteld onder leiding van Eerste-Kamerfractievoorzitter E.
H. Schuyer, ging woensdag naar de partijleden en zal op 21 mei een
eerste discussieronde doormaken. D66 zal de nota in het najaar
definitief vaststellen.
D66 wil al jaren het bijzonder onderwijs algemeen toegankelijk maken,
mits de ouders de grondslag van de school respecteren. Dat vloeit voort
uit de opvatting van de democraten dat de wil van ouders doorslaggevend
moet zijn bij schoolkeuze voor hun kind. Invoering van een
acceptatieplicht levert voor onder meer joodse, reformatorische en
sommige vrijgemaakte en islamitische scholen problemen op. Dergelijke
‘orthodoxe’ scholen hebben op basis van hun grondslag een strikt
toelatingsbeleid. Daarom wil D66 voor deze scholen een uitzondering
maken. Scholen met een strikt toelatingsbeleid maken ongeveer 5 procent
uit van het totale scholenbestand.
Verder stelt de D66-werkgroep voor dat ouders de bevoegdheid krijgen om
de grondslag van een bestaande school te wijzigen. In de praktijk
noemen betrokkenen dat “van kleur verschieten”. De partij denkt dat de
voorkeur van veel ouders niet meer overeenkomt met het huidige
scholenbestand. Zo zouden ouders meer scholen willen waarin
christelijke scholen samenwerken met openbare. Voorwaarde voor
grondslagwijziging is dat deze voor “een flink aantal” jaren moet
gelden. Bovendien moet tweederde van de ouders ermee instemmen.
D66 is van mening dat ook ouders op openbare scholen het recht moeten
krijgen om de grondslag te wijzigen.
Voor D66 moeten openbaar en bijzonder onderwijs in principe
gelijkwaardig zijn. Daarom moet het bestuur van de openbare school in
handen komen van ouders en niet langer bij de gemeente berusten. Verder
staat in de nota dat nieuwe scholen in nieuwbouwwijken niet langer
moeten worden gesticht op basis van een bestaande richting, maar op
basis van leerlingenaantallen en een goed onderwijskundig plan. Na een
of meer jaren moeten de ouders een richting voor de school kiezen. Deze
mogelijkheid van schoolstichting moet naast de bestaande komen. Als
ouders het van tevoren wel eens zijn over de grondslag van een nieuwe
school, mag de identiteit van de onderwijsinstelling wel vooraf
vaststaan.
De werkgroep is voorts van mening dat binnen het onderwijs opvattingen
vanuit een stringente godsdienstige overtuiging en vanuit ander
gedachtegoed op gelijke wijze moeten worden beoordeeld. Op dit moment
oordeelt de rechter milder over omstreden opvattingen als die gebaseerd
zijn op religieuze overtuigingen. De rol van de onderwijspinspectie
hierin moet groter worden door een scherpere controle op de inhoud van
de lessen.












