
EMOR: Kohaniem mogen geen contact met doden hebben, niet met een gescheiden vrouw huwen en niet onrein of met bepaalde gebreken dienst in de Tempel doen. Alleen kohaniem mogen van geheiligd voedsel eten.
Een dier dat geofferd wordt mag geen gebrek vertonen. Een rund of schaap mag niet op dezelfde dag als het jong geslacht worden.
Nogmaals volgt de eis tot werkonthouding op Sjabbat. Daarna worden de
verschillende feestdagen met een aantal bepalingen vermeld. Aharon moet
de kandelaar voortdurend brandend houden. In het Heiligdom stond een
tafel met 12 toonbroden. Een man die de G’dsnaam vloekt, wordt buiten
de legerplaats gestenigd. Allochtonen en autochtonen moeten gelijk
behandeld worden.
Emor is de 35e Parsja
| Koheen, 21:1-15 Een Koheen moet zich aan zijn zeven meest nabije familieleden verontreinigen: vrouw, moeder, vader, zoon, dochter, broer en ongetrouwde zuster. |
Een
koheen mag zich echter normaliter niet aan een dode verontreinigen. Een
overleden mens vormt de hoogste bron van on-reinheid. Een stoffelijk
overschot kan toema – onreinheid – overbrengen door aanraking maar ook
door zich op te houden in dezelfde (uitvaart)ruimte. Daar staan de
kohaniem dan achter een mechietsa – afscheiding – zodat ze zich
eigenlijk in een andere ruimte bevinden.
Waarom draagt juist een menselijk stoffelijk overschot zo een hoge
graad van onreinheid. Alleen hij/zij heeft het potentieel zich tot
steeds hogere vormen van kedoesja – heiligheid – te verheffen. De mens
is een paradoxale combinatie van geest en materie, van dierlijke en
verheven neigingen. Aan de ene kant heeft de mens trekken van deze
materiele wereld in zich, zoals deze ook bij planten en dieren zijn
waar te nemen, terwijl hij aan de andere kant door zijn ziel tot de
hogere werelden behoort. Daarmee vormt hij de enige mogelijke
verbinding tussen Hoger en lager. De lichaamsvorm van de mens spreekt
hierbij boekdelen. Zijn hoofd is ver verheven boven zijn lichaam als
teken van zijn spiritualiteit.
Alleen de mens kent een hoge graad van toema – onreinheid. De
Kabbalistische literatuur geeft aan, dat ‘onreine krachten’ zich
voornamelijk aange-trokken voelen tot objecten waar voorheen kedoesja –
heiligheid – huisde. Vandaar, dat onreinheid in religieuze zin vooral
aange-troffen wordt rond het stoffelijke overschot van een mens.
Gedurende zijn leven vertegenwoordigde hij het grootst mogelijke
‘heiligheidpotentieel’ op aarde. Rabbi Chajiem ibn Attar legt uit, dat
sterven voor verschillende levensvormen op aarde andere consequenties
heeft. Lagere vormen van leven trekken na hun dood een veel geringere
toema naar zich toe. Men kan dit vergelijken met een honingvat en een
vat met pek, die zojuist geleegd werden. Allerlei ongedierte, zoals
vliegen en wormen, voelt zich aangetrokken tot het voormalige honingvat
en niet tot het lege pekvat.
Het Jodendom stelt de ethisch-religieuze vrijheid van de mens centraal.
Dit vrije deel van de mens – zijn ‘G’ddelijke deel’ – heeft na het
overlijden het lichaam verlaten. Gedurende het leven deelde zelfs het
lichaam in de morele vrijheid van de mens. Door het overlijden
ondergaat juist het lichaam een enorme verandering. De ziel blijft
dezelfde G’ddelijke vonk, die het ook voor de verbinding met het
lichaam was. Aan het eind van het aardse bestaan wordt het contact van
het zielelicht met het lichaam weer verbroken. Dan bestaat de
persoon weer uit de oorspronkelijke twee delen. Van fysiek
aanhangsel aan het eeuwige, bovenaardse en oneindige G’ddelijke licht,
dat in de ziel is, verwordt het tot een nutteloos object, dat na de
dood voll












