Christendom liet sporen na in jodendom


Tijdens het 14e Wereldcongres van Joodse Studies dat van 31 juli – 4 augustus in Jeruzalem plaats vond, werd o.m. aandacht besteed aan de invloed van het christendom op het jodendom. Het eeuwenlange verblijf van grote joodse gemeenschappen in het christelijke Europa blijkt duidelijke sporen in de joodse religie en cultuur te hebben nagelaten.


Terwijl sinds de Tweede Wereldoorlog veel christelijke theologen op
zoek zijn gegaan naar de joodse wortels van het christendom werd op de
laatste dag van het Wereldcongres van Joodse Studies het omgekeerde
bestudeerd: de invloed van het christendom op het jodendom.

Chananael Mack van de religieuze Bar-Ilan Universiteit in Tel Aviv liet
dit zien aan de hand van de liturgie in de synagoge. Behalve uit de
Tora wordt op sjabbat ook een gedeelte uit de andere bijbelboeken
gelezen. Dit wordt de haftara-lezing genoemd. Bij de haftara-lezingen
in middeleeuws Duitsland blijkt dat bijbelteksten die door de kerk
christologisch geïnterpreteerd werden, niet opgenomen zijn. “De passage
uit Jesaja die Jezus citeert in de synagoge van Nazareth (Lukas 4:18)”,
zo liet Mack zien, “is een voorbeeld van een tekst die bewust niet werd
opgenomen in de vaste liturgie.”

De belangrijkste joodse bijbelcommentator, Rasji, vormde het onderwerp
van bijbelexegeet Lea Himmelfarb van dezelfde universiteit. Rasji had
eveneens met bijbelteksten te maken die in zijn omgeving, het
middeleeuwse Frankrijk, messiaans gelezen werden. “Door de filologische
betekenis van de woorden met behulp van het oude materiaal van de
massoreten opnieuw te bekijken”, betoogde Himmelfarb, “wist hij in
enkele gevallen een niet-messiaanse interpretatie mogelijk te maken.”
Op een heel andere manier had de christelijke omgeving invloed op de
joodse gemeenschap in Amsterdam. Yosef Kaplan als hoogleraar Joodse
geschiedenis met specialisatie  geschiedenis van de Amsterdamse
joodse gemeenschap verbonden aan de Hbreeeuwse Universiteit in
Jeruzalem, en auteur van o.a. From Christianity to Judaism – The Story
of Isaac Orobio de Castro en Dutch Jews as Perceived by Themselves and
by Other, liet zien hoe de Portugees-joodse gemeente dezelfde processen
doormaakte als de Gereformeerde Kerk in de Nederlandse Republiek. “In
de Gereformeerde Kerk was een kleine kern van mensen die belijdenis
hadden gedaan en een heel brede rand van “liefhebbers”, mensen die
verder afstonden van het geloof en minder praktiserend waren. Datzelfde
gebeurde ook in de Portugees-joodse gemeente”, toonde Kaplan aan de
hand van de bronnen aan. “De rabbijnen klaagden over de geringe
betrokkenheid van veel joden bij de religieuze plechtigheden. Dat voor
velen de gemeente vooral een sociale functie had, kon hun goedkeuring
niet wegdragen.” Het gevolg hiervan was dat de actieve kern steeds
strikter orthodox werd.

Een speciale sessie was gewijd aan de invloed van het Nieuwe Testament
op de Hebreeuwse literatuur. Die blijkt groter te zijn dan men op het
eerste gezicht zou vermoeden, liet hoogleraar Hebreeuwse literatuur Ruth Kartun-Blum
zien. Als onderdeel van haar onderzoek aan de Hebreeuwse Universiteit
presenteerde zij het werk van de belangrijke Israëlische dichter Nathan Zach
(1930). Zachs achtergrond, een joodse vader en een rooms-katholieke
moeder, heeft grote invloed op zijn werk. In zijn gedichten komen
regelmatig citaten uit de Evangelien voor als hij zoekt naar de
betekenis van zijn gemengde achtergrond. Een centrale zin in een van
zijn gedichten is: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben – God?” “Hiermee
vat Zach de centrale vraag voor een jood heel goed samen”, aldus
Kartun-Blum. “Net als andere Israëlische auteurs die het Nieuwe
Testament gebruiken, is zijn werk postapologetisch te noemen.”

Ee

Advertentie (4)