Sidra Tsav, Wajikra (Leviticus) 6:1-8:36

Moshe Lavee: "De eerste priesterlijke verplichting in onze sidra is “Teroemat Hadèsjèn”- het offeren van de as: “de priester moet … de as van het brandoffer dat in het vuur verteerd is van het altaar nemen en naast het altaar leggen” (Wajikra 6:3)."

SIDRA TSAV
door Moshe Lavee

De Misjna beschreef hoe de kohanim in hun streven de taak te vervullen naar de rand van het altaar renden om daar de eerste te zijn om het karwei te klaren.

De Talmoed vertelt ons in traktaat Joma 2:1-2 dat op een keer een zekere priester in zijn haast om het eerst ter plekke te zijn, zijn vriend opzij duwde waardoor deze zijn been brak. Als gevolg hiervan werd een nieuwe regeling uitgevaardigd: de kohén zou voortaan aangewezen worden door te loten.

Dit verhaal staat op andere wijze ook in de Tosefta (een aanvullende tekst op de Misjna) waarin het zich ontvouwt als een dodelijk drama van tragische omvang. In de Tosefta wordt het verhaal verteld van twee priesters die aan het rennen waren en over de rand van het altaar klommen. Eén van hen gaf zijn vriend een duw waarop deze een mes trok en zijn vriend in het hart stak. Rabbi Tsadok verscheen en staande op de trappen naar het gebouw zei hij: “Luister naar mij, broeders, huis van Israël. Er staat geschreven: ‘Als … ergens in het open veld het lichaam wordt gevonden van iemand die vermoord is … moeten uw oudsten en rechters de afstand tussen het lijk en de steden in de directe omgeving meten.’ (Dewarim[Deuteronomium] 21:1). Laat ons meten en bekijken voor welk gebied wij een onthoofde vaars moeten aandragen? Voor het hoofdgebouw van de Tempel of voor de overige ruimten? Daarop barstten alle mensen in huilen uit.

Toen kwam de vader van de vermoorde jonge priester en zei tot hen: “broeders: ik zal jullie verzoening bieden, mijn zoon bibbert nog steeds; het mes is nog niet onrein geworden! Dit moet jullie leren dat de onreinheid van een mes een groter probleem voor de Joden is dan een moord….Hieruit trokken zij de conclusie dat vanwege de zonde van het moorden verliet de Sjechina (Gods aanwezigheid) de Tempel en werd het gebouw onrein.”

Dit verhaal komt overeen met de veroordeling van de profeten die waarschuwden voor het gevaar van het vervullen van de plichten in de Tempel zonder het ethische en morele gedrag dat daarbij vereist is.

Met een subtiele ironie wordt een fictieve vraag opgeworpen door Rabbi Tsadok: de onthoofde vaars. Het ritueel van het onthoofden van een vaars was de taak van de oudsten van de stad die het dichtst bij de plek lag waar het lichaam van een vermoorde persoon was gevonden en waarvan de moordenaar onbekend was. Het symboliseerde de collectieve verantwoordelijkheid van een gemeenschap voor een moord die in het betreffende gebied was gepleegd. In dit verhaal is de vraag overbodig omdat iedereen heeft gezien wie de moordenaar was. Rabbi Tsadoks doel is eigenlijk, de collectieve verantwoordelijkheid voor de moord te benadrukken. Deze tragedie was niet alleen maar de schuld van één overenthousiaste jonge priester. De verantwoordelijkheid wordt zowel gelegd bij de priesterklasse (aangeduid door het Tempelgebouw) als bij de hele gemeenschap (gesymboliseerd door de andere Tempelgebieden). Iedereen is verantwoordelijk voor deze moord. Waarom is dat zo? Het antwoord van de Tosefta is simpel: de te sterke nadruk op het vervullen van de rituele wetten tussen mens en God leidde tot het laten varen van het meeste basale inter-menselijke gebod: U zult niet moorden. Dit wordt op schokkende wijze tot uitdrukking gebracht door de vader,

Advertentie (4)