TSAV. Aharon krijgt nadere instructies voor de offers: wat, waar en hoe van de offers gegeten mag worden. Het vuur op het altaar moest altijd blijven branden. Ook dankbaarheids- en vrijwillige offers komen aan de orde.
Bloed en bepaalde vetdelen mogen niet gegeten worden. Het vlees van het offer moet rein zijn en ook degene die ervan eet moet rein zijn. De gehele gemeente werd bijeengeroepen om Aharon, zijn zoons en de Tempelvoorwerpen in te wijden. Mosje kleedde Aharon en zijn zoons in de priesterkledij en zalfde het heiligdom en Aharon. Aharon bracht de offers, precies zoals hem was voorgeschreven. Aharon en zijn zonen moesten zeven dagen en nachten bij de ingang van de Tent der Samenkomst blijven in verband met de ambtsaanvaarding.
Koheen – 6:1-11: Na de beschrijving van de verschillende offers wordt nu de dagelijkse dienst in het Mikdasj (Heiligdom) beschreven. Vlak voor de ochtendgloren werden de brandstapels op het altaar verzorgd. De eerste taak was het verwijderen van het as van het altaar. Het as moest naast het altaar worden neergelegd. Deze taak heet Teroemat hadesjen. Daarna trok de koheen andere kleding aan van iets mindere kwaliteit en bracht het as naar een ‘reine’ plaats. Het vuur moest altijd blijven branden en mocht niet uitgaan.
G’d sprak tegen Mosje als volgt: “Gebied Aharon en zijn zoons als volgt: dit is het voorschrift van het brandoffer. Het is het brandoffer dat op het vuur, op het altaar blijft de hele nacht tot de ochtend en het vuur van het altaar moet daarop (lett.: in het) blijven branden” (Wajikra 6:1).
►“Op het vuur” – dit slaat volgens de Talmoed (B.T. Joma 45) op het grootste vuur op het altaar (daarnaast waren er ook kleinere vuren). Interessant is hierbij de idee dat alles wat groot is een bepaalde nederigheid ten toon moet spreiden. We zien dit ook bij het verschil tussen gewone mensen en kohaniem. Wanneer wij de Sjemoné-Esré (het achttiengebed) dawwenen, moeten we alleen bij het begin en het einde van de eerste en het begin en het einde van de dank-beracha (modiem) buigen maar de kohaniem moesten aan het begin en aan het einde van iedere beracha buigen (B.T. Berachot 34). Rasjie legt dit als volgt uit:“Hoe groter men is hoe meer men moet buigen om nederig en bescheiden te blijven”. Deze gedachte wordt hier aangeduid bij het grootste vuur op het altaar. In de Tora is de letter ‘mem’ in het woord mOKDA (vuur) kleiner geschreven dan de rest van de letters.
“en het vuur van het altaar moet in het blijven branden” – wat betekent in het? De Tora kan niet op het altaar bedoelen want dat staat al geschreven in pasoek 5 “het vuur op het altaar” en pasoek 6 “permanent vuur moet brandend blijven op het altaar”. ‘In het’ slaat op de tijd (het voorgaande “de hele nacht”):”Het vuur moet op het altaar gedurende de hele nacht blijven branden”. Zo legt ook de Rasjbam, de kleinzoon van Rasjie, deze frase uit.
►Er is echter ook nog een mogelijke andere interpretatie. Volgens de Midrasj Rabba (Tsav 7) daalde er Hemels vuur af, dat het altaar van binnenuit en op het bovenvlak verwarmde terwijl het gewone, aardse vuur daarbovenop brandde. Het Hemelse vuur ondersteunde het aardse vuur. Daardoor verbrandden het hout en het brons van het altaar niet. Dit beantwoordt hoe het mogelijk was, dat het alta












