De nieuwe kleren van de Hogepriester

De parasja van de week, voor kinderen verteld. Deze week: Aharon wordt ingewijd als Hogepriester, en wat daar allemaal voor nodig is.

Om de gouden menorah te laten branden is olijfolie nodig. Maar geen gewone olijfolie: deze olie moet heel zuiver zijn. De eerste druppels olie die uit een olijfvruchtje wordt geperst is de zuiverste, en alleen die olie mag worden gebruikt voor de Menorah.De enige die de Menorah mag aansteken en ervoor mag zorgen dat de lampjes blijven branden is de Koheen Hagadol, de hogepriester. Nu denk je natuurlijk dat Mosjé de Koheen zou worden, omdat hij alles rechtstreeks van Hasjem geleerd had. Maar Hasjem had andere plannen: Aharon, de broer van Mosjé, moest de belangrijkste priester, ‘Koheen HaHadol’ worden.Zo werd Aharon door Hasjem zelf gekozen tot Koheen HaGadol, en dat betekende dat zijn zoons ook kohaniem zouden worden, en de zoons van de zoons, en zo verder voor altijd.De Koheen HaGadol had belangrijke en heilige taken in het Misjkan. Hij moest speciale kleren dragen, zodat hij nooit zou vergeten hoe bijzonder hij was, en iedereen moest de kohaniem kunnen herkennen. Hasjem had precies bedacht hoe die bijzondere, opvallende kleren van de kohaniem (ze heten bigdej kehoena) eruit moesten zien. De kleding van de ‘gewone’ Koheen begon metde koetónet: een lang wit linnen hemd met ingeweven ruitjes. Dat werd vastgebonden met eenavneet: een 14 meter lange ceintuur van stof met heel veel kleuren. Onder het hemd droeg de Koheenmichnasáim: een lange onderbroek van wit linnen. Op zijn hoofd droeg de Koheende migbá’at:een soort puntige tulband, gemaakt van een witte linnen bandDe Opperpriester (Koheen HaGadol) droeg dezelfde kleren als de ‘gewone’ Koheen, maar daar kwamen nog een paar bijzondere dingen bij. De Koheen HaGadol droeg op zijn hoofd eeneen tulband van wit linnen band, de mitznefet. Op zijn rug hing deéfod: een schoudermantel van wol en linnen, waarin met goud, hemelsblauw, rood en paarsrood mooie patronen waren geweven. De schoudermantel werd met een kleurige band om zijn middel vastgebonden. Op de schouderstukken waren twee shoham-stenen (zwarte en groene steen). Op de shohamstenen waren de namen van de twaalf stammen Israël gegraveerd. De shohamstenen werden met gouden kettinkjes vastgemaakt aan hetchosjeen misjpat: het ‘borstschild voor bijzondere beslissingen’. Dit is het heiligste kledingstuk van de Koheen haGadol. Het chosjeen misjpat was een dubbelgevouwen stuk van dezelfde kleurige stof die gebruikt was voor de schoudermantel. Zo kreeg je een soort zak. Daarin moest Mosjé de oerim vetoemim stoppen, een perkament met de Heilige Naam van Hasjem in 72 letters erop geschreven. Op de buitenkant van de zak moesten twaalf verschillende kostbare stenen worden vastgemaakt met goud, in vier rijen. Op elke steen moest de naam van één van de twaalf stammen Israël worden gegraveerd. Weet je ze nog? Hier zijn ze, als je van rechts naar links leest staan ze precies in de goede volgorde:Levi – Sjim’on – ReoeweenZewoeloen – Issachar – JehoedaGad – Naftali – DanBenjamin – Joseef – AsjerHet borstschild werd met een blauw koord om het middel van de Koheen HaGadol vastgebonden, zodat het netjes op zijn plaats bleef. Over al die kleren heen droeg de Koheen HaGadolde me’il: een lange mantel van blauwe wol. Aan de onderkant waren gouden belletjes en balletjes van blauwe, paarse en rode wol vastgemaakt. Zo kon iedereen horen dat de Opperpriester er aan kwam.Op zijn voorhoofd droeg de Koheen gadol een tzitz, een gouden plaatje met daarop de woorden ‘Kodesj laHaSjem’ (Gewijd aan de Eeuwige). Het plaatje was met blauwe koordjes precies onder de rand van de tulband om het hoofd van de Koheen HaGadol vastgebonden.En nu aan de slag!Het Misjkan is klaar, de Kohaniem zijn aangekleed: nu kan het echte werk beginnen.Dat betekent: verschillende soorten offers brengen, allerlei plechtige handelingen doen en zorgen dat de Menorah altijd blijft

Advertentie (4)