De parasja van de week, voor kinderen verteld. Vandaag: Pas na de laatste plaag, de allerergste van allemaal, laat Par’o het volk Israël vertrekken. En iedereen mag mee!
Na de laatste vreselijke plaag, toen Hasjem het vreselijk hard had laten hagelen, was Par’o wel bang geworden. Steeds meer mensen en dieren gingen dood, en de oogst op de velden was kapot. "Mosjé en Aharon, jullie mogen de mannen van het volk Israël meenemen voor een paar dagen meenemen om aan jullie G-d offers te brengen in de woestijn. Maar de vrouwen en kinderen blijven hier. Dan weet ik zeker dat de mannen weer terug komen." Maar dat was helemaal niet de bedoeling! Mosjé zei: "Par’o, we willen iedereen meenemen, mannen, vrouwen, kinderen en ook alle dieren. "Verontwaardigd zei Par’o: "Vergeet het maar! Als ze allemaal weg gaan komt er niemand meer terug. Alleen de mannen, en anders mag er niemand weg." Dat was niet erg slim van Par’o, want nu stuurde Hasjem een sprinkhanenplaag naar Egypte. Er waren zoveel sprinkhanen in de lucht dat je de lucht niet meer kon zien. Zelfs de laatste grassprietjes, de laatste groene blaadjes aan de bomen die nog over waren na de hagelbuien werden door de sprinkhanen opgevreten. Er was niet meer te eten voor de mensen en de dieren in Egypte. Alleen in Gosjen was er niets gebeurd, want Hasjem hield zijn belofte dat hij het volk Israël zou beschermen.Par’o smeekte Mosjé of hij niet kon zorgen dat die afschuwelijke sprinkhanen weg zouden gaan. En net als de vorige keren bad Mosjé tot Hasjem, en Hasjem liet het zo hard waaien dat er in heel Egypte al gauw geen enkele sprinkhaan meer te vinden was. Nu zou Par’o het volk Israël toch wel laten gaan! Maar nee, weer hield Par’o zijn belofte niet: alleen de mannen, verder mocht niemand uit Egypte weg. Hasjem zei tegen Mosjé dat hij zijn hand naar de hemel moest uitstrekken. Plotseling werd het pikkedonker. Zelfs een kaarsje kon geen licht geven in die verschrikkelijke inktzwarte duisternis. Drie dagen bleef het diepzwarte nacht in Egypte. Maar bij het vollk Israël was het gewoon dag en nacht, zoals altijd.Par’o liet Mosjé bij zich komen: "Ik heb er genoeg van! Ik wil jullie niet meer zien, en als je niet luistert laat ik je doden! Ga weg, en neem alsjeblieft iedereen mee! Maar je dieren moet je hier laten, want wij hebben na al die plagen helemaal geen vee meer." Maar dat was niet wat Hasjem bedoelde. En dus zei Mosjé tegen Par’o: "Alles wat leeft en van ons is gaat met ons mee als wij weggaan uit Egypte. En U moet naar mij luisteren, want G-d heeft nog één plaag, de ergste van allemaal, als U niet uw belofte houdt. In het midden van de nacht zal het gebeuren: de oudste zoon in ieder huis zal sterven, de eerstgeborene van Par’o, de eerstgeborene van de slavin, de eerstgeborenen van de dieren. Één grote jammerklacht zal er in Egypte te horen zijn, een verdriet zoals er nog nooit is geweest en zoals er nooit meer zal zijn. Dan zult u moeten toegeven dat G-d sterker is dan u. Dan zal u ons laten gaan."Na die woorden ging Mosjé weg van Par’o, want hij moest het volk Israë belangrijke dingen gaan vertellen. "Over tien dagen moeten jullie allemaal een gezond, jong lam uitkiezen en bij je houden. Per familie éé lam, dat groot genoeg is voor iedereen om van te eten. Dat is het ‘Pèsach-lam. Dat lam moeten jullie vier dagen bij je houden, en daarna moet je het slachten. het bloed moet je opvangen, en dat moet rondom de deuropening van je huis smeren. Want in die nacht zal Hasjem langs alle huizen gaan en overal de eerstgeborenen doden. Maar Hasjem zal weten waar het volk Israël woont als hij bloed rondom de deur ziet. In die huizen zal hij de eerstgeboren niet doden. En terwijl Hasjem rondgaat door de steden moeten jullie je klaar maken voor een grote reis. met je schoenen aan, bepakt en beza
De uittocht uit Egypte
Advertentie (4)












