LJG: Sidra Sjlach-lecha, (Numeri) 13:1-15:41

Wat was de zonde van het volk toen het Mosjè vroeg op een verkenningsroute te gaan voordat men het land Israël zouden binnengaan? Als het dan zo verkeerd was, waarom stond Mosjè hun dan toe te gaan?

In de kringen van de LJG worden de feestdagen gevierd volgens de Bijbelse voorschiften en zoals zij in Israël in acht worden genomen. Dit betekent onder andere dat men slechts één dag Sjavoeot heeft en dat Sjabbat 3 juni – 7 siewan – als een gewone Sjabbat wordt beschouwd. Daarom zullen we tot Sjabbat Balak, 8 juli – 12 tammoez a.s. steeds één week uit stap zijn met het gebruik in Nederlands-orthodoxe kringen.

Sidra Sjlach-lecha door Elli Kranzler

En waarom stond God hun toe te falen toen Hij tegen Mosjè zei: “Stuur dan als je wilt er mannen op uit die het land Kenaän,dat Ik de kinderen van Jisraëel geef, zullen verkennen” (Bemidbar 13:1-2)?

Het leek erop dat de Jisraëlieten voorbereid wilden zijn. Ze moesten de overgang maken van de slavernij in Egypte en hun afhankelijkheid van God om in de woestijn te kunnen overleven naar zelfbeschikking en om bezit te nemen van het land Israël. Ze stonden op het punt om landeigenaren te worden, boeren, die zouden leven in een maatschappij waarin zij zelf de controle hebben over hun politiek en economisch welzijn.

De Sfat Emet (een 19e-eeuwse Chassidische leider) suggereert dat het Dor Hamidbar (de woestijngeneratie) en hun leiders, de vorsten die als meragliem (verspieders) dienst deden, ambivalent waren over deze te verwachten veranderingen. In de woestijn was hun bestaan passief en volledig vergeestelijkt. De woestijn is de plek, ver verwijderd van de beschaving en de verleidingen daarvan, waar de volledige afhankelijkheid van God het volk ontvankelijk maakte voor de Openbaring op Sinaï. Hier leefden ze een zuiver geestelijk bestaan. De enige stem die ze in de stille woestijn hoorden was de stem van de Tora, de Kol Jaäkov – de stem van Jacob. Ze wensten liever niet dat deze verheven status van Gods-bewustzijn beëindigd zou worden. Als ze Jisraëel zouden binnengaan, waar ze een pro-actief en beschaafd volk vol zelfvertrouwen zouden worden, zou dit een toename van geestelijke afstand tot gevolg hebben. Ze zich zouden zich moeten bezig gaan houden met “het werkelijke leven” van politiek en oorlog, en van aardse zaken als het kweken van druiven en het oogsten van gerst.

Deze leiders – zo de Sfat Emet – hadden te weinig vertrouwen in het unieke karakter van het land dat ze op het punt stonden in bezit te gaan nemen. Nachmanides, de 13e- eeuwse commentator, schrijft over Wajikra 18 dat God heeft het land Isr

Advertentie (4)