NIK: Parsja 34 Sjelach Lecha (Bemidbar/Numeri 13:1-15:41)

De verspieders keren na 40 dagen terug. Tien van de twaalf verkenners raden aan om niet op te trekken, omdat het volk daar te sterk is. Ze vrezen dat vrouw en kinderen krijgsbuit zullen worden. HaSjeem wil het volk vernietigen maar Mosjé weet dat door gebed te voorkómen.


Voor elke dag van verkennen moet het volk echter een jaar in de woestijn blijven. Sommigen van het volk, met spijt over hun houding, trekken toch op maar worden smadelijk teruggeslagen. G’d geeft Mosjé instructies over uiteenlopende offers en gewijde gaven die gebracht zullen worden als het volk in het land gevestigd is. Iemand (Tselofchod?) sprokkelde hout op Sjabbat. De mitswa van Tsietsiet (schouwdraden) volgt.

Koheen, 13:1-20
G’d benadrukt tegenover Mosjé, dat hij uit eigen vrije wil de verspieders kan sturen, maar dat dit niet op bevel van G’d geschiedt.

Levi, 13:21-14:7
De verspieders beschrijven de grote kracht van de inwoners van Kena’an. Het volk komt in opstand maar Kalev vertelt hun dat ze moeten optrekken naar Israël. De andere tien verspieders spraken kwaad over het land. De Kena’anieten zijn sterker dan wij: “En wij waren als sprinkhanen in onze eigen ogen en ook in hun ogen.”

► De episode van de verkenners staat direct na de melaatsheid van Mirjam, de zuster van Mosje, beschreven. Blijkbaar was Mirjam niet in staat het bijzondere karakter en de speciale status van haar broer Mosje te onderkennen. Ook de verkenners waren blind voor de uitzonderlijke kwaliteiten van het heilige land. Wij bewonen een bijzonder land. Het is een land waar G’d zorg voor draagt, steeds zijn de ogen van G’d erop gericht, van het begin van het jaar tot het einde ervan (Deut. 11:12). Alleen in dit land rust de Sjechiena – de Goddelijke aanwezigheid en alleen in dit land gedijt de profetie (Jalkoet Sjimoni, Jona).
De band tussen volk en land is vergelijkbaar met een huwelijk. De oversteek over de Jordaan was meer dan alleen een volksverhuizing. Er ontstond een verbond tussen heuvels, dalen en een volk, waarvan het lot tot op de dag van vandaag verbonden zou blijven met het welzijn van dat stuk aarde. Een lotsverbondenheid in alles. Want alles wat daar gebeurt, heeft invloed op de positie van Joden overal ook ter wereld. De vergelijking met een huwelijksband tussen twee mensen is niet helemaal terecht. In de dood kunnen mensen worden gescheiden. Maar de band tussen land en volk is permanent zoals Maimonides (1135-1204) al stelde: "haar bijzondere wijding is voor alle tijden".

► De Talmoed stelt dat een man een vrouw niet mag trouwen zonder dat hij haar heeft leren kennen. We zien dat bij het huwelijk tussen Riwka en Jitschak. Jitschak geloofde zonder meer de getuigenis van zijn vaders dienaar Eliëzer, dat Riwka een geschikte huwelijkspartner was. Toch moest hijzelf de waardevolle eigenschappen van Riwka leren ervaren. De huwelijksband is bedoeld voor eeuwig. Een verbintenis tussen twee zielen, die pas in een relatie compleet worden. Het is een integratie van twee losse delen tot één nieuw geheel. Lichaam en ziel zijn hierbij betrokken. Ieders gehel

Advertentie (4)