Parsja 4A & B: Sidra Wajera


Daarop zei G?d tot Awraham: ?Waarom lacht Sara daar, zeggend: Zou ik dan nog baren, terwijl ik oud ben?.Sara moest lachen toen zij van de Engel te horen kreeg, dat zij binnenkort een kind zou krijgen. Via Awraham geeft G?d haar hiervoor een standje. Toch is het opmerkelijk dat toen Awraham van G?d te horen kreeg ? aan het einde van de Sidra van vorige week ? dat Sara hem een zoon zou baren, hij ook moest lachen. Maar Awraham krijgt hiervoor geen standje van Boven. Waarom wordt er verschil gemaakt tussen Awraham en Sara?De Targoem Onkelos ? de Aramese vertaling van de Tora uit de eerste eeuw n.d.g.j. ? geeft impliciet antwoord op deze vraag. Het woord ?Wajitschak? kan op twee manieren vertaald worden. Bij Awraham blijkt uit de context dat het moet betekenen: ?En hij verheugde zich?, terwijl uit de context bij Sara blijkt, dat zij van ongeloof moest ?lachen?.?En Awraham viel op zijn aangezicht en lachte? (17:17). Hij knielde voor G?d uit dankbaarheid. Vandaar dat zijn verwonderde uitroep en zijn lach positief worden uitgelegd, maar bij Sara staat: ?Toen lachte Sara in haarzelf, zeggende: ?Nadat ik afgeleefd ben, zou ik nog plezier hebben, terwijl mijn heer oud is!? (18:12). Sara?s lachen is er één van ongeloof. Zij vraagt zich af of het ooit zal uitkomen, wat er beloofd is. Daarom was haar gedrag laakbaar en dat van Awraham niet.Beiden laakbaarRabbi Chizkia ben Manoach uit de dertiende eeuw (de ?Chizkoeni? uit Frankrijk) stelt echter dat zowel Awraham als Sara er verkeerd aan deden om te lachen. Beiden hadden zij een standje verdiend, maar waarom kreeg Sara uiteindelijk als enige een verwijt? De Chizkoeni wijst ons erop, dat G?d Sara niet direct op haar nummer zette. De pasoek leest: ?En G?d zei tegen Awraham: Waarom heeft Sara gelachen??. Waarom heeft G?d Sara niet direct aangesproken? De Chizkoeni legt uit, dat deze situatie kan worden vergeleken met een slimme schoonmoeder, die haar schoondochter over een bepaalde zaak wil onderhouden. De schoonmoeder geeft haar eigen dochter een standje in aanwezigheid van haar schoondochter, waardoor de laatste zich het verwijt ook zelf zal aantrekken. Hetzelfde gold voor Awraham en Sara. Als Awraham van G?d direct een standje had gekregen, dan zou hij zwaar aangedaan zijn. Maar door hem op zijn onjuiste gedrag te wijzen op zo?n indirecte manier, spaarde G?d Awraham deze beschaming, terwijl de boodschap toch duidelijk overkwam. Beiden, Awraham én Sara, kregen dus een standje in de opvatting van de Chizkoeni.Praten schept een realiteitHet zou ook zo kunnen zijn, dat Awraham?s ongeloof niet geuit werd, zoals er staat: ?En hij zei in zijn hart: kan een man van honderd jaar kinderen krijgen en zou Sara, een 90-jarige, baren??. Zijn gedachten werden nooit geverbaliseerd. Bij Sara staat er echter ?En Sara lachte in zichzelf, zeggend??. G?d was boos op Sara omdat zij haar ongeloof verwoordde. Wanneer G?d iets goeds aan iemand belooft en iemand dit niet gelooft, en dit ook nog verwoordt en duidelijk maakt dat hij/zijn niet gelooft dat het ooit zal uitkomen, dan zou het kunnen zijn, dat G?d geneigd is om Zijn belofte in te trekken. Door ongeloof te ventileren, schept men een nieuwe realiteit waar bepaalde gebeurtenissen niet kunnen plaatsvinden. Deze gedachte, dat het uiten van bepaalde gedachten een nieuwe realiteit kan creëren, staat ook in onze Haftara. Wanneer de man van de Sjoenamitische ziet dat zijn vrouw naar de Profeet Elisja rijdt, vraagt hij haar of alles oké is. En zij antwoordt: ja! Waarom heeft zij haar man niet verteld, dat hun zoon dood was? Het antwoord luidt dat wanneer zij ?hij is dood? had gezegd, de realiteit van zijn dood zo sterk zou zijn geweest, dat de Profeet hem nooit meer tot leven zou kunnen wekken. Soms beschrijven woorden niet alleen de realiteit, maar creëren zij deze ook.Parsja 4B Wajera?En Awraham hief zijn ogen op en zag; en zie! drie mannen stonden bij hem en hij zag en rende hen tegemoet van de ingang v