Parsja 50 – A Wezot haBeracha (V:33:1-34:12)

Mosjé wilde als laatste daad in zijn leven de Joden zegenen. Het boek Deuteronomium (Dewariem) was hij begonnen met tuchtigingen en terechtwijzingen, hetgeen ook veel van de voorgaande Tora-afdeling (Parsjat Ha’azienoe) in beslag neemt.

Dewariem 33:2:"Hij sprak toen: G’d kwam van Sinaï en ging vanuit Se’ier voor hen op, straalde van het gebergte Paran en kwam van myriaden van heiligen; uit Zijn rechterhand kregen zij een vuurwet."Mosjé begon eerst G’d te prijzen en daarna vermeldde hij pas de behoeften van het Joodse volk. In de lof waarmee hij begon, worden ook de verdiensten van het Joodse volk vermeld. Mosje Rabbenoe wilde hiermee G’d overreden, als het ware om te zeggen "het Joodse volk is het waard, dat de zegen op hen zal rusten".Weigering bij de volkerenDewariem 33:2:"Van Sinaï ging Hij (G’d)" hen tegemoet. Toen het Joodse volk zich plaatste aan de voet van de berg Sinaï benaderde G’d hen als een bruidegom, die zijn bruid begroet en tegemoet komt."Vanuit Seir ging Hij voor hen op." Eerst richtte G’d zich tot de zonen van Esau, bewoners van Seir. Hij wilde dat zij de Tora zouden aannemen, maar zij weigerden dit. "Hij straalde van het gebergte Paran". G’d had zich verder gericht tot de zonen van Isma’el, maar ook zij weigerden de Tora.G’d openbaarde zich aan de afstammelingen van Esau maar zij antwoordden G’d: "De Tora kunnen wij niet aanvaarden, want onze voorvader Esau werd gezegend met de opdracht te leven bij het zwaard". Toen bood G’d de Tora aan de afstammelingen van Lot, Ammon en Moav. En ook zij vroegen: "Wat staat er in die Tora?". "Je mag geen ontucht plegen? antwoordde G?d. ?De Tora is niets voor ons", antwoordden zij, "onze beide volkeren zijn juist ontstaan door de ontucht van de dochters van Lot met hun vader".Toen bood G’d de Tora aan de afstammelingen van Ismael aan. "Wat staat erin?", vroegen de Ismaelieten. "Gij zult niet stelen". "Wij stammen van Ismael af; deze wet is niet voor ons". Ieder volk op aarde kreeg de gelegenheid om de Tora te aanvaarden, zodat zij later niet zouden kunnen claimen dat, indien G’d hen de Tora had aangeboden, zij ook de Tora hadden aanvaard.Alleen het Joodse volk was bereid om de Tora te aanvaarden zonder naar de inhoud ervan te vragen en zij verklaarden "Na’asé weNisjma": "Wij zullen doen en later wel begrijpen". Maimonides legt uit, dat G’d de volkeren benaderde door middel van hun profeten, die de boodschap overbrachten.De vuurwet (Deut. 33:2)"Uit Zijn rechterhand kregen zij een vuurwet". Wat wordt er met deze vuurwet bedoeld? De verklaarders geven ons verschillende inzichten. De Tora bestond al vóór de Schepping van het Universum. Voordat de Tora aan de mensen werd gegeven stond hij beschreven in zwart vuur op wit vuur in de hemelhoogte. Het begrip van de spirituele voor-wereldse Tora als geschreven met zwart vuur op wit vuur vereist enige uitleg. Volgens de Maharal (16e eeuw, Praag) symboliseren de kleuren wit en zwart de twee eigenschappen liefde en waarheid. Hoewel dit mystieke begrippen zijn, valt dit ook natuurkundig te begrijpen: wit weerkaatst licht en geeft dit als het ware weg, hetgeen de gevende liefde symboliseert. Zwart absorbeert als het verwerven van kennis. De basis van de Tora is het witte vuur, liefde voor de mensheid. Als wij de Mitswot (geboden uit de Tora) bestuderen ontwaren wij het zwarte vuur, hetgeen betekent dat veel onderwerpen uit de Tora ook te vatten zijn met het verstand.Een tweede uitleg uit de Midrasj – verhalende verklaring – benadrukt, dat de Tora temidden van vuur gegeven werd. De Engelen, die afdaalden met G?d op de berg Sinaï waren Engelen die in vuur en vlam stonden. De berg stond in vuur en vlam en de Tora werd gegeven door G’d, die ook een ‘verterend vuur? wordt genoemd. Ook Mosjé Rabbenoe kreeg iets mee

Advertentie (4)