NIK: Parsja 13 Sjemot (Sjemot/Exodus 1:1 – 6:1)

Sjemot verhaalt over de geboorte en opgroeien van Mosje die ondanks zijn omgeving toch de weg terug naar zijn volk zal vinden. Een volk dat nu in slavernij leeft, maar vasthoudt aan zijn eigen indentiteit.

“Dit zijn de namen van de kinderen Israëls, die met Ja’akov naar Egypte kwamen” (Sjemot 1:1).
Sjemot betekent namen en herinnert ons eraan, dat onze identiteit in Egypte – en ook alle eeuwen daarna – behouden is gebleven doordat wij onze taal, kleding en namen hebben vastgehouden. Het Jodendom hecht bijzonder veel waarde aan namen. De Talmoed (B.T. Joma 83b) vertelt hoe Rabbi Meïr (2e eeuw) het karakter van mensen uit hun naam analyseerde. Rabbi Eliahoe Dessler (20e eeuw) stelt, dat een pasgeboren kind niet puur toevallig een naam krijgt. De naam die ouders in hun hoofd hebben, geldt als een newoe’a ketana – een kleine profetie – omdat in de naam het wezen van het nieuwe mensje tot uitdrukking komt. Daarom gelden zo bijzonder veel minhagiem – gewoonten – bij de naamgeving, die vrijwel alle ontleend worden aan mystieke principes. Volgens de midrasj heeft ieder mens drie namen: de naam die hij meekrijgt van zijn ouders, de naam waaronder hij bekend staat bij derden en als belangrijkste de naam die hij zich door zijn goede of minder goede daden heeft verworven. Met name hiervoor geldt de uitspraak van koning Salomo (Spreuken 7:1) ‘Beter een goede naam dan goede olie (aardse bezittingen)’. Onze volksnaam duidt op ons karakter: joden worden Iwriem of Hebreeën genoemd naar Awraham, de Iwrie. De taal heet Iwriet. De stam van deze woorden is IWR, hetgeen ‘andere kant’ betekent. Awraham stond ‘aan de andere kant van de wereld’, in oppositie tegenover de afgodencultuur van zijn tijd. Hij proclameerde als eerste het zuivere monotheïsme in een hem vijandig gezinde wereld.

Klik op het logo om NIK-rabbijn Raphael Evers’ verklaringen op de parasja te lezen.

Advertentie (4)