De Kohaniem moeten nog veel meer leren

Vorige week ging de Parasja over het brengen van offers. Ook deze week is de Parasja een les, maar nu vooral voor de Kohaniem.

Mosje legde Aharon, de hogepriester, en Aharon’s zoons die priester waren, uit dat ze ervoor moesten zorgen dat het vuur op het grote koperen altaar altijd moest blijven branden. Twee keer per dag moest er een lam worden geofferd. Het offer moest de hele nacht blijven liggen, en pas de volgende dag mocht de as worden weggehaald. Voor alles wat de priesters te doen hadden op het altaar moesten ze hun linnen priesterkleren dragen, en die moesten ze uittrekken als ze de as, dat wat overbleef van al die offers, van het altaar weghaalden.

Weet je nog? Er waren dierenoffers, en en waren offers gemaakt van meel, olijfolie en kruiden. Ook voor de meeloffers had Mosje van G’d precies te horen gekregen wat de Kohaniem moesten doen. Van het fijnste meel moesten de priesters platte broden bakken, en die moesten ze opeten in het Misjkan. Maar eerst moest er meel met wierook en wat olie verbrand worden, als offer.

En Aharon, de hogepriester? Ook Aharon moest offerbroden bakken, platte koeken van meel en olijfolie. Die koeken moesten helemaal worden verbrand, daar mocht niemand van eten.

Je herinnert je misschien nog wel dat je met een offer het weer goed kon maken met G’d als je iets verkeerds of iets stoms gedaan had. Er waren heel wat regels die de Kohaniem moesten onthouden, over het slachten, over welke stukken van het offerdier helemaal moesten worden verbrand, en van welke stukken de Kohaniem mochten eten. Sommige offers moesten meteen worden opgegeten, over andere mochten de Kohaniem twee dagen doen. Al die regels moesten heel precies worden opgevolgd.

In dit gedeelte van de Tora wordt verteld wat kosjer betekent: het zijn maar een paar woorden, maar jullie weten allemaal dat die heel belangrijk zijn. Er staat:

"Je mag geen vlees eten waar het bloed nog in zit. Het maakt niet uit waar je woont, en het maakt niet uit welk vlees. Iemand die vlees eet waar het bloed nog in zit, is niet langer lid van het Joodse volk."

En weer was er een belangrijk moment gekomen: Aharon en zijn zoons werden eindelijk tot priester gewijd. Het hele volk Israël kwam naar de Misjkan, want iedereen wilde die plechtige gebeurtenis niet missen. Mosje zei tegen zijn broer en zijn neven, zodat alle mensen het konden horen: "Wat ik nu zal doen heeft G’d zelf me opgedragen."

Eerst moesten Aharon en zijn zoons zich wassen. Daarna gaf Mosje de priesterkleren aan Aharon, zette hem de tulband op met het gouden schildje eraan, en wreef met heilige olie de Misjkan en alle dingen die erin stonden. En als laatste deed hij wat heilige olie op het hoofd van Aharon. Daarna wijdde Mosje ook zijn neven, de zoons van Aharon.

Toen dat allemaal gedaan was liet Mosje aan de