Dankbaarheid

Heeft u dat nu ook in uw emotionele rugzakje zitten? Dat eigenaardige gevoel dat u en ik dankbaar moeten zijn voor de vreedzame jaren die we op Nederlandse bodem hebben mogen doorbrengen? ‘t Is mogelijk een gedachte die, met nog een aantal andere eigenschappen, de ‘Tweede-generatie’ joden typeert.

Ik heb mijn vader, die met matig succes geprobeerd heeft zijn ouders en
zusters te redden, nooit over dankbaarheid gehoord. Hoewel hij een
loyale Nederlander was, kleefde er op Europese bodem zoveel joods leed,
dat hij al 1961 zijn bullen pakte en als eerste joodse Ossenaar de
adembenemende Negevse zandstormen en de luizen van de
immigrantenkinderen verkoos boven de bloedrode en altoos perfect
gemanicuurde klauwen van het cultureel verantwoorde Europa. Hij was
Truus van Rens uit Grubbervorst mateloos dankbaar, want zij had zijn
leven gered. En hij vertelde ons geanimeerd, dankbaar jegens zijn
vermoorde ouders, over die zorgeloze jeugd op de Rotterdamse
Heemraadsingel. Maar was hij Nederland dankbaar, zoals ik dat lang heb
gevoeld? Ik heb het hem nooit gevraagd.

Een christelijk schoolvriendinnetje in Oss, waar ik ben geboren, leidde
mij op zo’n warme nazomerdag naar een groot kruisbeeld en wees
verwijtend: ‘Die hebben jullie vermoord’. Zo’n incidentje (en veel
ergere) zullen heel wat Europese joden hebben meegemaakt, maar als kind
doet het je wat, al kun je zo jong je gevoelens niet definiëren. Oss
was ook de eerste Nederlandse gemeente die burgerrechten verleende aan
‘moordenaars en joden’. Dat je als jood over één kam werd geschoren met
aperte misdadigers, vond je ook tamelijk gewoon, al vergat je het nooit.

Op school werd getolereerd dat we op de joodse feestdagen niet kwamen.
Het werd getolereerd dat de joodse kinderen voornamelijk met elkaar
omgingen. Het werd getolereerd dat we anders waren. We werden
getolereerd. Daar ligt misschien een sleutel van die ietwat neurotische
dankbaarheid. Want als iemand slechts getolereerd wordt, is zijn status
altijd minder dan van degene die bereid is hem te tolereren. Die
dankbaarheid vloeit ook voort uit de wetenschap dat elders, de gojim
wel even anders met hun joden omgingen. En wij, gelukkigen, leefden in
Nederland waar we je hoogstens wat beroerde opmerkingen toegevoegd
kreeg. En toen de lerares Grieks eiste dat perse ik, het enige joodse
kind op het Vlaardings lyceum, het ‘onze vader’ luid zou vertalen, kon
ik dat weigeren zonder uitgescholden te worden. Wel stak ze haar
troebel misnoegen over mijn gedrag niet onder stoelen en banken. Ik
kreeg de wind van voren wanneer het maar kon, maar dat zijn
kleinigheden in een land waar je werkelijk als gelijke wordt
getolereerd.

Wij, de naoorlogse joodse kinderen, streefden naar gelijkheid zonder
ooit uit te zoeken of Nederland misschien ook reden had om ons dankbaar
te zijn. Niet zoals de moderne allochtonen, stelde de jood zich
eeuwenlang in principe bescheiden op. Uit vrees voor verjaging, geweld,
beschimping; maar ook omdat hij in een gastland vertoefde, dat hem
asiel verleende. Uit dankbaarheid. ‘Spuw niet in de bron die U gelaafd
heeft’, leert de Tora ons. Dankbaarheid is een fundamenteel joodse
eigenschap, die al verregaande gevolgen heeft in het conflict tussen
Kaän en Hevel.

De bijdrage van de joodse ‘gasten’ in Nederland was gigantisch. Denk
maar aan de handelscontacten die de Portugese joden meebrachten.
Nederland maakte er dankbaar gebruik van. Het advies van de Portugese
joden om de Nederlandse schepen lager dan de trotse Spaanse
oorlogsbodems te bouwen om zo het geschut te ontwijken. De gigantische
bedrijven die vandaag de dag nog miljarden binnen brengen. Unilever
(Van den Bergh) Organon (van Zwanenberg), de Bijenkorf om maar een paar
namen te noemen.

De joden hebben hun gastlanden altijd een ruime compensatie voor het
vaak schoorvoetende welkom gegeven. Ik kan dus dankbaar zijn zonder me
een bedelaar te voelen. Waarom dan heb ik nu zo’n moeite met die
dankbaarhei