Hoe welkom is de Flick-collectie?


Eindelijk heeft miljonair Christian Flick een onderkomen gevonden voor zijn kunstcollectie, en nu protesteert de Centrale Raad voor de Joden in Duitsland. De collectie zou tot stand gekomen zijn met ‘bloedgeld’.

Toen Friedrich Christian Flick de stad zijn kunstverzameling aanbood,
tegelijk met een speciaal door de Nederlandse architect Rem Koolhaas
ontworpen museum, bedankten ze in Zürich riendelijk voor de eer. Ook
München en Dresden zagen er maar liever van af. Alleen Berlijn, en dar
nog wel een overheidsinstelling in de Duitse hoofdstad, aanvaardde in
januari vorig jaar dankbaar de waardevolle Flick-verzameling in
bruikleen. Vanaf 23 september zal nu gedurende zeven jaar Flicks
moderne kunst in een speciaal daarvoor à raison van ? 7,5 miljoen
genenoveerd pakhuis bij het museum Hamburger Bahnhof
worden tentoongesteld. De collectie omvat o.a. belangrijke werken van
Mondriaan en Duchamps en van vele hedendaagse kunstenaars.


Miljonair en collectionair Flick (57)

Tenzijn Salomon Korn zijn zin krijgt. De vice-voorzitter van de Centrale Raad der Joden in Duitsland
verwijt in twee open brieven aan kunstverzamelijk Flick dat deze zich
onvoldoende rekenschap heeft gegeven van het feit dat zijn prachtige
kunstverzameling tot stand is gekomen met bloedgeld dat Flicks
grootvader, wapenfabrikant Friedrich Flick (1883-1972), in nazi-tijd
verdiende.

De kleinzoon poogt, volgens Korn, nu met zijn expositie onder de naam
Flick Collection de besmeurde familienaam een lichtere tint te geven.
Korn noemt dat ‘een soort moreel witwassen van bloedgeld in een
maatschappelijk acceptabele vorm van kunstbezit.’

En dat gaat niet lukken, waarschuwt Korn kleinzoon Flick in een lange
Duitse volzin: “Met de naam Flick verbindt het publiek gewoonlijk
drieërlei: om te beginnen Friedrich Flick, de oprichter van het
concern, de man die de NSDAP financieel ondersteunde, een groot deel
van zijn rijkdom vooral te danken had aan de genadeloze uitbuiting van
dwangarbeiders en ariseringsmisdaden (roof van joods eigendom – red.)
en voor het tribunaal van Neurenberg als veroordeeld oorlogsmisdadiger
niet het geringste berouw toonde en als een van de de rijkste mannen
van Duitsland  tot zijn dood weigerde ook maar de geringste
schadevergoeding te betalen; verder Friedrich’s zoon Friedrich Karl
Flick, de bekennende belastingvluchteling, en tenslotte Friedrich’s
kleinzonen Mick (u) en Muck (uw broer), die gedurende vele jaren de
kolommen van de roddelpers vulden met hun mateloze jetset-odyssee en
een spectaculair glamourleven.”


Friedrich Flick tijdens zijn proces op 22 december 1947

Aan een door ondernemers en overheid opgericht fonds om de voormalige
dwangarbeiders van de nazi’s een kleine schadevergoeding te betalen,
heeft de rijke kleinzoon Flick daarentegen niet meebetaald. Wel heeft
hij in 2001 in Potsdam een stichting tegen xenofobie, racisme en
intolerantie
opgericht, maar dat is alleen maar gebeurd op advies van
een pr-firma, schrijft Korn.

Inmiddels heeft de gelukkige ontvanger van Flicks kunst, de Stiftung
Preussischer Kulturbesitz, het v oor zijn maecenas opgenomen. Er
bestaat geen Sippenhaft, zegt de stichting, daarbij een oude naziterm
van stal halend die betekende dat familieleden collectief schuldig
zijn. Inderdaad, antwoordt Korn, e