DovenSHOA


Onder deze titel organiseerde de Stichting Welzijn Doven Amsterdam eind oktober een internationaal symposium waarin een stuk vrijwel onbekende oorlogsgeschiedenis onder de aandacht werd gebracht.

Expliciete erkenning is nodig voor het leed dat de Nederlandse
dovengemeenschap door de Tweede Wereldoorlog heeft geleden, vindt de
Stichting Welzijn Doven Amsterdam (SWDA). Met de
wegvoering van joodse doven verdwenen de sleutelfiguren. Dat heeft
ingrijpende gevolgen gehad voor alle doven in Nederland. Daarom is de
stichting vast van plan een nationaal monument op te richten, dat
herinnert aan deze ‘verloren geschiedenis’.

Dat de emancipatie van doven door de oorlog tientallen jaren is
stilgezet, is bij weinig mensen bekend, zegt Stefan Russel, directeur
van SWDA. Dat bleek anderhalve week geleden weer, op het symposium
‘Dovenshoah’ van de stichting. De kille feiten zijn ook onbekend, zegt
Russel. Hijzelf hoorde enkele jaren geleden voor het eerst dat na de
oorlog niet een joodse dove naar Nederland is teruggekeerd. “Hoe kan
dit?”, vroeg hij zich af.

Dat weet hij inmiddels. Dove joden werden door de nazi’s dubbel gepakt:
omdat ze joods waren en omdat ze doof waren. Ze moesten behalve een
jodenster een armband dragen waarop ‘Taub’ stond. Bij de ingang van het
concentratiekamp werden ze meteen uit de rij gepikt en naar de gaskamer
gestuurd.

Oudere doven kennen deze geschiedenis wel, maar de jongere generaties
niet. “In elke andere cultuur heb je cultuuroverdracht van ouders op
kinderen. Alleen in de dovencultuur niet, omdat de meeste doven
‘horende’ ouders hebben.” Op de doveninstituten komt het onderwerp ook
niet aan bod, zegt de SWDA-directeur. Een Duitse onderzoeker, die op
het symposium was, zei zelfs dat hij nooit eerder een vergelijkbaar
symposium had bijgewoond. “Wij nemen het voortouw, ook internationaal”,
concludeert Russel.

Het interview loopt via een tolk, die de gebarentaal in het Nederlands
vertaalt en andersom. Aan Stefan Russels zijde zit Elly
Muller-Engelsman (62), voorzitter van de commissie Dovenshoah. Deze
commissie is vorig jaar opgezet door de SWDA. De leden – doven,
horenden, joden en niet-joden – onderzoeken hoe de oorlogsgeschiedenis
bewaard kan blijven en of het haalbaar is een monument op te richten.
“Ik hoop dat het lukt, want deze geschiedenis mag niet worden
vergeten”, zegt Muller, die de oorlog als joods onderduikkind
overleefde.

De doven in het vooroorlogse Nederland waren goed georganiseerd, beter
dan in de decennia erna. Er waren vier doveninstituten. De ontwikkeling
van de Amsterdamse dovengemeenschap staat buiten hun invloed, want in
Amsterdam was nog geen instituut, zegt Stefan Russel. De verenigingen
die er waren, waren niet alleen clubs voor gezelligheid en sport. “Het
idee van solidariteit en van zelf aanpakken werd benadrukt. De
dovengemeenschap had bijvoorbeeld een eigen bank. Zieken konden een
uitkering krijgen, armen konden geld lenen.’

Hoe het kwam dat de joden een voortrekkersrol hadden, weet hij niet.
“Ik weet wel dát het zo was. In Amsterdam had je een flinke joodse
gemeenschap, dat heeft er ongetwijfeld mee te maken. Misschien zit het
ook in de joodse cultuur: vechten om te overleven.’

Na de oorlog bleek dat de dovengemeenschap deze sleutelfiguren
definitief had verloren. De doven waren daarmee ook hun
emancipatiekracht kwijt, zegt Russel. “Het kader was weg. Een groot
aantal verenigingen werd opgeheven, omdat er onvoldoende mensen
beschikbaar waren voor in de besturen.” Wat overbleef waren vooral
gezelligheidsverenigingen.

De joodse doven werden niet alleen gemist vanwege het belangrijke werk
dat zij deden. “Er was geen sprake van groepen, van joden en van
niet-joden. Doven vormen een hechte gemeenschap. Of je joods,
rooms-katholiek of protestant bent, doe