Nauwelijks besef van impact antisemitische uitlatingen

De ernstige verstoringen vorig jaar tijdens de dodenherdenking, antisemitische uitlatingen op school, discriminatie en intolerantie waren aanleiding tot nader onderzoek. Er bleek dat met name het onderwijs over de Tweede Wereldoorlog op scholen met hoge percentages islamitische kinderen moeizaam verliep. Uit zorg over deze ontwikkelingen gaf de gemeente Amsterdam in april 2004 daarom opdracht voor het project “Tweede Wereldoorlog in perspectief”.


Zogenaamde peer-educators van Marokkaanse afkomst gaven les aan Amsterdamse VMBO-leerlingen over de Tweede Wereldoorlog en het Midden-Oosten conflict. Door hun kennis van de belevingswereld van Marokkaanse jongeren zouden zij beter in staat zijn gevoeligheden te bespreken zonder de spanningen die hiermee dikwijls gepaard gaan. Veel leerlingen wisten weinig van de jodenvervolging en de geschiedenis van het Midden-Oosten conflict en stonden versteld van het aantal joden dat hierbij is omgekomen. Veel leerlingen waren ook verbaasd te horen dat er in de Tweede Wereldoorlog Marokkaanse verzetsstrijders waren. De resultaten van het project werden gemeten aan de hand van vragenlijsten over racisme, joden, moslims en autoriteit. Zo vond na het project 56% van de Marokkaanse leerlingen (daarvoor 47%) joden even aardig als andere volkeren.


De gemeente Amsterdam verdient een compliment voor de aanpak van de problemen rondom de geschiedenislessen op scholen en het ondernemen van actie in de vorm van dit project. Toch wil ik een aantal kanttekeningen plaatsen. Allereerst een formele kanttekening: Waarom heeft de gemeente Amsterdam opdracht voor dit project moeten geven? Is hier niet een rol weggelegd voor de Anne Frank Stichting in Amsterdam? Dit is tenslotte een toonaangevende organisatie op het gebied van educatieve programma’s over antisemitisme en discriminatie die zo’n 100 mensen in dienst heeft.  Inhoudelijk merk ik op dat in de conclusie onder andere staat dat een antisemitische houding bij de leerlingen eerder uitzondering dan regel is. Dit lijkt mij een verzachting van omstandigheden. Waarom konden de lessen dan niet door het reguliere onderwijspersoneel gegeven worden? Omdat veel leerlingen hun leraar niet als autoriteit zien? In het rapport is te lezen dat leerlingen het “heel gewoon” vinden om antisemitische woorden te gebruiken. Zij hebben geen weet van de impact van hun taalgebruik. Een Nederlandse docent schrijft echter tegelijkertijd dat de jongeren onder elkaar precies weten hoe ver ze kunnen gaan en dan alleen die dingen roepen die ze van elkaar tolereren. Uit het rapport blijkt ook dat de dood van Marokkaanse verzetsstrijders in de Tweede Wereldoorlog de kinderen bijzonder treft. Hebben we het nog wel over dezelfde oorlog? Gaat hier de kwintessens van de geschiedenisles niet verloren in een multiculturele aanpak?


Islamitische leerlingen voelen zich vaak gediscrimineerd: Ze hebben het gevoel als terroristen te worden behandeld. Joden hebben ervaring met discriminatie en integratie: Zij willen niet op het Israëlische politieke beleid worden beoordeeld. Hier kunnen andere minderheden hun voordeel mee doen. Mijns inziens ontbreekt in dit project de gewone jood uit de straat. Het is een gemis dat in het rapport alleen wordt gesproken over dode joden of joden die ver weg wonen. Mijn voorstel is: Geef de lessen met twee samenwerkende peer-educators: een Marokkaanse en een joodse docent. Breng de leerlingen uit de doelgroep informeel in contact met joden. Daarvoor kunnen joodse scholen, jeugd- en studentenverenigingen benaderd worden. Of vraag eens een jood op de thee! Ik zie zeker perspectief maar dat gaat verder dan de Tweede Wereldoorlog.


Bron: VVD-Amsterdam, 10 december 2004