‘Stemmen uit het hart van de duisternis’: de 1e dag


Na de feestelijke ceremonie waarbij aan de Franse cineast en literator Claude Lanzmann het eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam werd uitgereikt, werd een tweedaagse conferentie symposium georganiseerd over de rol en betekenis van de getuigenis, zowel vanuit persoonlijk en sociaal als wetenschappelijk perspectief bezien.

Het was een vol programma, deze eerste dag: een ruim anderhalf uur
durend vraagesprek met Claude Lanzmann zelf, een lezing door Ivo de
Haan, hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht, de uit
1970 daterende indringende documentaire van Louis van Gasteren “Begrijp
je nu waarom ik huil’, de presentatie van het project ‘Ooggetuigen’
over de rol van Nederlandse omstanders tijdens en na WOII door
historica Dienke Hondius en tot slot Philo Brechstein’s monumentale
documentaire over de Amsterdamse historicus en schrijver Jacques
Presser, eveneens uit 1970.

1.    Het podiumgesprek met Claude Lanzmann over de
totstandkoming van en reacties op zijn magnum opus SHOA werd gevoerd
door Patricia Pisters, hoogleraar Filmwetenschap aan de Universiteit
van Amsterdam.

In vlot Engels met een vet Frans accent vertelt Lanzmann dat het begrip
tijd een andere betekenis kreeg vanaf het moment dat hij besloot SHOA
te gaan maken. “Ik wist niet hoe lang de film zou gaan worden; af en
toe keek ik terug en zag verbijsterd hoe lang ik al bezig was, en wist
dat het einde nog niet in zicht was. Maar ik was baas over mijn eigen
tijd. Geen enkele producent zou hebben geaccepteerd dat het hele proces
11 jaar in beslag zou gaan nemen.”
Halverwege  bleek de film als vanzelf in twee periodes uiteen te
vallen: de externe verhalen, en die van de mensen die de
verschrikkingen van dichtbij hadden meegemaakt. “Dat zijn de pijlers,
het fundament waarop de film is komen te rusten. En ik heb nergens
kunstgrepen toegepast als achtergrondcommentaar of beelden van de
verschrikkingen in de kampen. In mijn film is geen enkel lijk te zien.”

Lanzmann geeft tegenwoordig lezingen in de ‘zwarte’ achterstandswijken
van Parijs, aan de hand van lesmateriaal dat hij op verzoek van de
voormalige minister van onderwijs Jacques Lang samenstelde, in de vorm
van een DVD met een door hemzelf samengestelde selectie uit SHOA en een
begeleidend werkboek. “Ik ben binnen het ministerie van onderwijs
meermalen aangelopen tegen wat ik de maffia van de geschiedschrijving
noem: mensen die het woord shoa niet lusten. Het schoolproject is met
de komst van de nieuwe minister van onderwijs François Villon nieuw
leven ingeblazen, “op voorwaarde dat tijdens het schooljaar ook een
maal de film in zijn geheel wordt vertoond”, aldus Lanzmann.
“De leeringen zijn vooral in verwarring als ik ze uitleg waarom er geen
lijken te zien zijn in mijn film. Ik probeer ze het verschil uit te
leggen tussen een concentratiekamp en een vernietigingskamp, dat immers
is ingericht om sporen uit te wissen. De kracht van alleen tekst,
zonder illustrerend beeld, is veel groter. Is het toch een boze droom
geweest? SHOA is een gigantische reconstructie van de herinneringen van
mensen.” Desgevraagd antwoordt Lanzmann dat de reacties vrijwel unaniem
goed zijn. “Het zegt genoeg dat mijn manier van filmen ze aanspreekt:
vaak krijg ik te horen dat leerlingen zelf ook films willen gaan maken.
Negatieve reacties op SHOA als joodse propaganda heb ik nog geen enkele
keer gehoord.”

Op de vraag uit het publiek hoe Lanzmann de deelnemers uitkoos volgt
een omstandig verhaal. “Er waren drie groepen waarmee ik wilde praten:
joden, toeschouwende Polen en direct betrokken Duitsers. De joden,
getuigen van de moord op hun eigen mensen, wilden wel praten,zij het na
diepgaande voorgesprekken. Zij waren de ‘gelukkigen’