
De Eeuwige zei tegen Mosje: ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer een vrouw een kind baart en het is een jongen, blijft ze zeven dagen onrein; ze is dan op dezelfde manier onrein als tijdens haar menstruatie. Op de achtste dag moet het kind besneden worden.’ (Wajikra [Leviticus] 12:1-3)
Door Gods geboden te volgen
erken je niet alleen de aanwezigheid van God in ons leven, maar ook het
transcendente karakter van het goddelijke. (Lessen voor Tegenwoordig.)
HET COMMENTAAR VAN DE WEEK
Het commentaar van Professor Yeshayahu Leibowitz: Tazria begint
direct met de geboorte. Ons wordt meteen gezegd, dat als de pasgeborene
een jongetje is, zijn voorhuid op de achtste dag zal worden besneden.
Op het eerste gezicht kennen we het gebod tot besnijdenis al uit
Beresjit [Genesis]; daar doet het zijn intrede tijdens het prachtige
verbond tussen God en Awraham – het teken en symbool voor alle
geslachten, het teken dat in het joodse lichaam wordt aangebracht als
het verbondsteken van Awraham.
Maimonides komt hier echter met een zeer onverwachte mededeling,
die voor het geloof een diepe betekenis heeft. Maimonides zegt dat de
mitswa van de besnijdenis er niet is wegens het verbond met Awraham ?
het verheven verbond, dat beschreven wordt in Beresjit – maar wegens
deze vijf woorden in sidra Tazria. “Op de achtste dag zal het vlees van
zijn voorhuid worden besneden.”
Onze traditie verplicht ons slechts tot die mitswot, die op Sinaï en
daarna zijn gegeven. Dat God vereerd wordt door het doen van de mitswot
is niet een herinnering, zoals sommigen vinden die de betekenis ervan
zien als symbolisch. Zij zijn niet gegeven om ons te herinneren aan
oude tijden, zoals sommigen uitleggen, vooral met betrekking tot de
besnijdenis die ons herinnert aan het verbond van Awraham. Dit idee is
diep doorgedrongen in ons religieus besef en is ook vastgelegd in de
formule die we bij de besnijdenis uitspreken, dat we het kind op de
achtste dag opnemen in het verbond van onze vader Awraham. Het is waar
dat we het kind binnenbrengen in het verbond van onze aartsvader
Awraham, maar we doen dat niet omdat er een verbond was tussen Awraham
en God, of omgekeerd tussen God en Awraham, maar omdat ons is
opgedragen het kind binnen te brengen in het verbond van aartsvader
Awraham.
Leibowitz: Notes and Remarks on the weekly Parashah (Brooklyn: Chemed Books, 1990, blz. 110-111)
(Vertaling: Nico Vissel (emeritus mohel)
Voor het origineel zie www.kolel.org)
| Gelezen wordt: Dasberg choemasj deel II, blz. 23 en 127. Haftara voor Sjabbat HaChodesj: Ezra 7:1-28 (niet in de Dasberg choemasj). |
Klik op het logo om verder te lezen op de website van de LJG.












