Hebreeuws: de mythe van de bijbelse taal

Israëliërs gaan er prat op met Hebreeuws de taal van de Bijbel te spreken. Een fabeltje, zegt taalkundige Ghil’ad Zuckermann: zowel de grammatica als woorden zijn totaal veranderd. Door Inez Polak.

Eliezer Ben Jehoeda, de grondlegger van het moderne Hebreeuws, ging rigoureus te werk. Als er bezoek kwam dat geen Hebreeuws sprak, stuurde hij zijn zoontje naar bed.

De kleine Itamar mocht geen enkele andere taal spreken of horen, hetgeen de jongen behoorlijk eenzaam maakte. Het kind mocht zelfs niet luisteren naar het getjilp van de vogels of het gebalk van de ezels. Elke taal anders dan Hebreeuws was uit den boze. En toen hij zijn vrouw erop betrapte slaapliedjes in het Jiddisj te zingen, kon heel de straat meegenieten van de ruzie.

Eliezer Ben Jehoeda was de man die begin vorige eeuw de oude bijbelse taal uit zijn 17 eeuwen oude coma deed ontwaken. Hij bedacht ook nieuwe woorden, zoals elektriciteit, vliegtuig, lucifer en auto, allen gebaseerd op bestaande woorden in het oude testament.

Het Hebreeuws was al die eeuwen een comateuze taal geweest, die alleen nog in de liturgie werd gebruikt en hier en daar dienst deed als een soort lingua franca voor joden uit verschillende landen. Het herleven van het Hebreeuws als spreektaal was en is tot de dag van vandaag deel van de zionistische ethos, van de terugkeer naar het oude/nieuwe vaderland. Met de Bijbel als bron, verschaft de taal een gevoel van continuïteit en vernieuwing.

Voor het gehele artikel klik hier
Bron: Trouw