Wat er werkelijk gebeurde met Mietje en Kaatje Frenk

De Loenense amateurhistoricus Henk Witteveen hielp in juni 2003 de Australiër E.R.Cocker zoeken naar het graf van zijn omgekomen vader, die bemanningslid van een Lancaster bommenwerper was. Hij vond het graf in Hall, waar de zoon zijn vader eindelijk de laatste eer kon bewijzen.

Naar aanleiding van de publiciteit daarover, kreeg hij talrijke
reacties. Daarbij zat ook informatie over twee joodse vrouwen die
begraven zijn op de begraafplaats in Hall. Witteveen kan daardoor voor
het eerst een vrij duidelijk beeld schetsen van de gebeurtenissen rond
beide vrouwen.

Ondergedoken
Mietje Frenk (geboren in 1898) en haar zes jaar oudere zus Kaatje zaten
in de oorlogsjaren ondergedoken in een vakantiehuisje op Coldenhove. Op
Cor Wolzak na had niemand contact met beiden. Ze waren ongehuwd en lid
van een uitgebreide, behoorlijk gefortuneerde joods orthodoxe familie.
Ze zijn geboren in Zierikzee en later vertrokken naar Rotterdam, waar
Mietje directrice en Kaatje hoofd van de huishouding werd van het
joodse ziekenhuis in die stad.

Het liep dramatisch af voor beide vrouwen, vertelt Witteveen, die de
geschiedenis vrij gedetailleerd kan reconstrueren. “Op 12 juni 1944
werden ze slachtoffer van een onverwachte overval – waarschijnlijk na
verraad – door leden van de Sicherheitspolizei. Mietje heeft gevraagd
of ze naar de wc mocht en daar heeft ze met cyaankali, dat ze altijd
bij zich droeg, een einde aan haar leven gemaakt. Ze is toen op
dezelfde dag en vlakbij de omgekomen bemanning van de Lancaster door de
Duitsers begraven. Kaatje Frenk is wel met de Duitsers meegegaan en op
11 oktober 1944 in het concentratiekamp Auschwitz om het leven
gebracht.”

Jongetje
“De twee zusters hadden ook nog een ongeveer 4-jarig jongetje bij zich.
Van hem is niets bekend. Vrijwel zeker is hij ook op transport gezet en
zoals de Duitsers meestal met kinderen deden, direct vergast.”

Op verzoek van Cor Wolzak is na de oorlog op het graf van Mietje een
houten kruis gezet. Achttien jaar na dato verzocht de
Nederlands-Israëlische gemeenschap uit Rotterdam Mietje te mogen
herbegraven op de joodse begraafplaats in Rotterdam. Volgens Witteveen
heeft H. Holdijk uit Hall als gemeente-opzichter geholpen bij de
opgraving. Die stond onder toezicht van een rabbijn, zodat alles
volgens joodse traditie plaatsvond. Holdijk herinnert zich nog dat in
de houten kist geen metaal, “zelfs geen spijkers”, mochten zitten.

Van de familie Frenk hebben sclechts weinig leden de holocaust overleefd.