Het niet-weten is een mythe

In het op 20 april verschenen boek ‘Tegen beter weten in’ stelt schrijver en historicus Ies Vuijsje dat Nederlanders in de Tweede Wereldoorlog wel degelijk wisten wat er gaande was in de concentratiekampen. In TweeVandaag o.a. een gesprek met Ies Vuijsje.

De uitzending kan worden bekeken op www.tweevandaag.nl/

Vuijsjes bevindingen gaan recht in tegen de lezing van het NIOD (Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie) dat stelt dat men het pas vanaf 1943 wist.

In de Volkskrant van 20 april gaat verslaggever Bart Jungmann dieper op de zaak in met het artikel ‘Geschiedschrijving over jodenvervolging vervalst’.

Vuijsje komt tot de conclusie dat zowel Joden als niet-Joden al in een vroeg stadium van de Tweede Wereldoorlog wisten dat de Joodse bevolking de dood wachtte in de concentratiekampen. Hun ontkenning van de werkelijkheid is in de geschiedschrijving voor waar aangenomen. Als de Nederlandse bevolking de kop niet in het zand had gestoken, zou het verzet tegen de Duitse bezetter veel sterker zijn geweest en het aantal overlevenden hoger.

Vuijsje is van mening dat vooral de autoriteiten daarin tekort zijn geschoten. De regering in ballingschap had niet zo terughoudend moeten zijn. De Joodse Raad, een door de Duitsers geïnstalleerd instituut, had zich niet zo meegaand moeten opstellen.

Ies Vuijsje kwam de geschiedkundige dwaling bij toeval op het spoor. Hij richt zijn pijlen vooral op Abel Herzberg, Jacques Presser en Loe de Jong, die specifiek over de Jodenvervolging hebben geschreven. ‘Ze conformeerden zich aan de mythe’, zegt hij. Zo schrijft Loe de Jong in zijn standaardwerk Koninkrijk der Nederlanden over de Nederlanders ‘dat vrijwel geen hunner in de jaren 1940-1945 besefte wat de gedeporteerden te wachten stond’.

Vuijsje geeft in zijn boek een hele reeks voorbeelden waaruit blijkt dat de legale en de illegale pers al in 1942 schreef over de Endlösung der Judenfrage, waartoe de nazi’s begin dat jaar hadden besloten.

Volgens De Jong is pas in de loop van 1943 de waarheid van de massale vergassingen aan het licht gekomen. Vuijsje beschuldigt hem ervan gegevens te hebben gemanipuleerd om tot die vaststelling te komen. ‘Dat de Nederlandse regering al vroeg op de hoogte was van de genocide heeft De Jong verdoezeld. Als wetenschapsman heeft hij gefaald.’

De afgelopen decennia is de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog in aanvullende publicaties aanzienlijk genuanceerd. Maar dat ging volgens Vuijsje vooral over het rigide onderscheid dat werd gemaakt tussen goede en foute Nederlanders.

Prof. Ivo Schöffer, die het manuscript las, is van mening dat Vuijsje definitief afrekent met de ‘mythe van het niet-weten’. De oud-hoogleraar geschiedenis aan de Leidse universiteit heeft in de jaren zestig De Jong al wel gewezen op die misvatting. Hij zegt in 1942 als verzetsman in Amsterdam joden te hebben gewaarschuwd voor de fatale gevolgen van deportatie.

‘De Jong en zijn medewerkers waren destijds van mening dat dat wetenschap achteraf moest zijn geweest. Maar ik weet zeker dat ik toen een joodse vrouw heb gewaarschuwd voor deportatie: u weet welk vreselijk lot u wacht.’