Continue Joodse aanwezigheid in het Heilige Land; deel 2

Op donderdag 25 april j.l. publiceerde joods.nl het eerste deel over hoe Palestina de focus van de nationale cultuur voor de joden bleef gedurende de bijna twee millenia van verstrooiing. Dit is het tweede deel.

In 1577, werd een Hebreeuwse drukpers geïnstaleerd in Safed. De eerste in Palestina en in heel Azië. In 1576, en nogmaals in 1577 gaf de eerste anti-semitische Ottomaanse heerser Sultan Murad III opdracht 1.000 welgestelde Joden te deporteren vanuit Safed, hoewel zij geen enkele wet hadden overtreden. Maar Murad had hen elders in zijn rijk nodig om daar de economie te versterken. Over hun lot is verder niets bekend*.Deze florisante periode tijdens het Ottomaanse Rijk hield op te bestaan toen dat rijk in de zeventiende eeuw afbrokkelde. Joden werden nu beschouwd als melkkoetjes, en door hun gehechtheid aan de grond vormden zij een makkelijke prooi. Zij moesten zware belastingen betalen en werden voortdurend onderworpen aan willekeurige boetes. Aan het begin van de zeventiende eeuw schreven twee Christelijke reizigers, Johannus van Egmond en John Hayman over de Joden van Safed: ?Het leven is hier het meest miserabele van wat men zich kan voorstellen.? De Turken onderdrukten hen zodanig, zo schreven zij, ?dat zij zelfs voor de lucht die zij inademen moeten betalen*."Keer op keer beschrijven Christelijke reizigers uit Europa de droeve omstandigheden van de Joden in Palestina, daarbij getuigend van hun aanwezigheid, zoals het verslag van de Jezuite Pater Michael Naud in 1674*.Ten gevolge van de onmogelijke levensomstandigheden, kromp het aantal Joodse gemeenschappen langzaam in. Tegen het einde van de achtiende eeuw schatten historici het aantal Joden in Palestina op 10.000 tot 15.000. Hoewel zij economisch geen betekenis meer hadden – zij leefden van gestage geldstromen die hen vanuit de hele wereld door Joden werden toegestuurd, hadden de Netoerei Karta ? ?de Bewakers van de Muren? ? belangrijke spirituele betekenis. Maar, zo kan men zich afvragen, hoe was het mogelijk, dat ondanks al die vervolgingen, onderdrukkingen, slachtpartijen en afpersingen de Joden overleefden en er voortdurend Joodse gemeenschappen bleven bestaan? Heidense Romeinen, ?heilige? Christenen, onderling strijdende Moslims, verwoestende Mongolen, zij allen passeerden over de Joodse lichamen heen. Hoe overleefden de Joden dat, tot de dag van de wederopbouw van de moderne Joodse staat? Het antwoord op deze vraag laat een ander aspect zien van de band tussen het Joodse Volk en zijn Land. Alle eeuwen door, sedert de verwoesting van de Tempel en gedurende de gehele periode van de ballingschap was er een gestage stroom van immigratie naar Palestina. Er is nooit, in al die bijna twintig eeuwen een periode geweest zonder ?Alia? – opgang naar het land -, hetgeen een expliciete manier was om uitdrukking te geven aan de Joodse gebondenheid met het Land. Volgens hedendaagse normen waren het geen grote aantallen. Maar gezien de omstandigheden in die tijd en het feit dat ?alia? altijd een individuele onderneming was, was het zeker vergelijkbaar met de moderne Zionistische beweging. Modern Zionisme heeft zeker de golven van immigratie sedert 1882 gestart, maar alleen de omvang en organisatie was nieuw, het fenomeen zelf heeft altijd al bestaan.De aantallen variëerden, al naar gelang de omstandigheden. Maar de oproep van de beroemde schrijver Jehoeda Halevi in de 12de eeuw om naar Palestina te emigreren vond gedurende vele generaties na hem gehoor (hijzelf stierf kort na zijn aankomst in Jeruzalem in 1141, omver gelopen, volgens de legende, door een Kruisvaarderspaard. Een groep immigranten uit de Provence in Frankrijk, in het midden van de 12de eeuw moeten geleerden van grote reputatie geweest zijn, want zij worden verondersteld verantwoordelijk te zijn voor de verandering van de traditie van Erets Israël [het Land Israël] om de viering van het Joods Nieuw Jaar te veranderen van één dag in twee dagen,