‘Salo’ – Een nieuwe column van Rob Fransman

Morgen (11/9) presenteert uitgeverij Verbum in de Amsterdam Arena het nieuwe boek van Salo Muller. “Het gevecht met de Nederlandse Spoorwegen” heet het. Op zichzelf een prima titel, maar eigenlijk was Mijn gevecht met de NL-spoorwegen beter geweest. Want voor zover ik weet heeft Muller zijn strijd helemaal alleen gevoerd. Als het anders is zullen we dat in het boek lezen. Ik ben zeer nieuwsgierig.

Hoewel ik Salo Muller niet persoonlijk ken, heb ik toch het gevoel dat dat wel zo is. Zoals iedere Amsterdammer herinner ik me hem natuurlijk van zijn tijd als Ajax verzorger. Toen Salo nog de fysiotherapeut van Ajax was, kwam ik, samen met mijn schoonvader, vaak in De Meer. Bij blessures op het veld was het een feestje als Salo met zijn tovertas het veld op kwam rennen. Mijn schoonvader, soms chagrijnig als Ajax achterstond, zei dan: “Liepen de spelers maar zo hard.”

Soms kom ik Salo tegen op de fiets of in het winkelcentrum en dan groet ik hem. “Wie is die man die me vagelijk bekend voorkomt?” zie je hem denken. Hij groet natuurlijk beleefd terug. Bovendien, in Amsterdam Zuid en Buitenveldert kennen alle Joden elkaar wel van gezicht.

Hoewel we elkaar dus niet kennen hebben we wel veel gemeen. Hij in ’36 geboren, ik in ’40. Tijdens de vervolging ondergedoken op talloze adressen, beschadigd na de oorlog, opgegroeid zonder ouders en met heel weinig familie, middelbare school niet afgemaakt, enzovoorts. En uiteindelijk toch goed terecht gekomen. Salo is na zijn werk als fysiotherapeut boeken gaan schrijven. Ik schrijf columns nadat ik stopte met werken.

Maar er is een belangrijker overeenkomst. Toen Salo’s boek Nunes Vaz” uitkwam werd hij geïnterviewd door Gerton van Boom. In dat interview zei Salo dat hij iedere dag wel even met de Holocaust bezig is. Natuurlijk, wie van onze generatie en achtergrond is dat niet?

Toch is de belangrijkste overeenkomst iets anders en iets veel beters: familie, misjpaga, misjpoge.

In het nawoord van “Tot vanavond en lief zijn hoor” schrijft Salo over het geluk dat zijn vrouw en hij vonden in hun kinderen en kleinkinderen. Met zijn tweeën opnieuw begonnen en het begin van weer een grote en hechte familie. “Wat een zegen!” schrijft hij letterlijk. En hij laat duidelijk merken dat hij dat ook als een overwinning op de nazischoften ziet. Ik zeg het hem na. Sterker, ik had het zelf willen schrijven.

We hoorden wel eens iets van Salo’s gesprek met de directie van de NS over vergoeding van de transporten. Eerlijk gezegd hadden we er niet zo veel vertrouwen in. “Blinde Maupie’” zeiden mijn vrouw en ik tegen elkaar, “eerst zien, dan geloven!” Maar in juli 2019 stond er in alle kranten dat de NS daadwerkelijk de slachtoffers en hun directe nabestaanden gingen betalen. Het bericht kwam toen onze hele familie samen aan tafel zat ter ere van de verjaardag van Sellie, mijn vrouw. “Dat geld maken we in één keer op,” besloten Sellie en ik. En dat doen we met ons gezin, we huren een kasteel in Frankrijk! Nog diezelfde avond deden we een aanbetaling op een paradijselijk kasteeltje in Normandië. 14 dagen in augustus van dit jaar.

Even waren we bang dat corona alles zou bederven, maar gelukkig konden we toch gaan. Allemaal bij elkaar, de kinderen, onze kleinkinderen en hun aanhang. Drie generaties, 17 mensen en mensjes samen eten, samen lachen, samen plezier en samen prachtig weer. En genoeg ruimte om elkaar niet in de weg te zitten. En als ik dan onder een boom lag met een goed boek en een beetje wegdommelde hoorde ik in het zwembad de kleinkinderen plezier maken. “Zo ziet geluk eruit,’ dacht ik. En zachtjes voor me uit zei ik even: Dank je Salo.

Het gevecht met de NS heeft veel meer opgeleverd dan alleen geld. Erkenning, genoegdoening, vul zelf maar in. Maar Sellie en mij bracht het simche. Daarom nog maar een keer. Dank je Salo!

Ontvang gratis onze nieuwsbrieven!