‘Briefje’ – een nieuwe column van Rob Fransman

Screenshot YouTube

Wij vinden communicatie normaal. De computer die wij ons mobieltje noemen kan letterlijk alles. Ook opbellen, hoewel die functie steeds onbelangrijker wordt. Waarom zou je praten als je kunt appen, nietwaar? Althans, zo denkt de volgende generatie en zeker de generatie van onze kleinkinderen. ‘Opbellen, geluid maken, de ander dwingen om te antwoorden, is niet meer van deze tijd,’ zeggen ze. Ze hebben gelijk hoor, maar zelf vind ik een telefoontje wel zo handig. Een afspraak of iets ingewikkelds regelen met vrienden of kinderen? ‘Ik bel je wel even,’ zeg ik dan. Vinden mijn kinderen goed. Maar ik hoor ze zuchten. Lastig!!!

Hoe anders was het ooit. Tot ver in de zestiger jaren moest je bij de juiste PTT-ambtenaar bidden en smeken om een aansluiting te krijgen. En dan kon je kiezen tussen een zwart of een wit draaischijftoestel. Enkele gelukkigen hadden soms wel twee telefoons! Dan moest zo’n familie wel heel welvarend zijn. Bij de oom en tante waar ik een tijdje woonde deden we het met één, een vooroorlogs zwart onding dat in de gang aan de muur hing. Kon iedereen lekker meeluisteren als je je eerste meisje belde. Maar er was tenminste een telefoon. Ik had zat vrienden zonder.

Vóór 1940 hadden gewone mensen zelden een telefoon. Toen mijn vader in 1925 carrière maakte was hij de eerste in de familie die zich een telefoon veroorloofde. Hij was de enige, wat hij er precies mee deed is me niet duidelijk. Communicatie ging per briefje, dat had iets moois. Een voor mij belangrijk briefje is bewaard gebleven. Het is geschreven in 1921, bijna 100 jaar geleden. Eigenlijk zou ik dit verhaaltje volgend jaar moeten schrijven. Maar nu ik eenmaal begonnen ben…

Dat P.S. is zo prachtig. “Duidt het niet ten kwade..”

14 februari was op een zondag. Ies was ruim op tijd met zijn invitatie. Wat zal hij die 2 dagen zenuwachtig zijn geweest. Ik stel me voor dat het die woensdag ijskoud was en dat hij al een half uur van tevoren op die tramhalte stond te rillen. Zou ze komen? Jennie kwam, in 1923 zijn Ies en Jenny getrouwd. Dat had nog best wat voeten in de aarde want er was standsverschil. Ies kwam uit een arbeidersgezin uit de Lepelstraat, een straatje net achter theater Carré. Jennie heette in werkelijkheid Rachel. Als kind had ze al laten weten voortaan als Jennie door het leven te gaan. Ze was de dochter van Levie van Zweden uit de deftige Plantagebuurt. Het paar verhuisde naar een mooi huis vlak bij het strand in Scheveningen. Daar werd in 1927 mijn broer Lou geboren. Daar bleef het bij tot juni 1940. Toen kwam ik. Het was een beetje onhandige tijd om geboren te worden.

De Ramp in 1943 maakte dat ik Ies en Jennie nooit heb gekend. Toch praat ik in gedachten vaak even met hen. Die tramhalte op het Weesperplein is er nog steeds, ik kom er vaak langs. Vandaag ook. Vandaar dit verhaal.

Ies en Jennie Fransman