“Welkom in Frankfurt” – Een nieuwe, waargebeurde, column van Simon Soesan

Simon Soesan

Ik herkende de taal niet eens. Mijn taxichauffeur probeerde in het drukke verkeer in Frankfurt te manoeuvreren, terwijl hij een satelliet radio station beluisterde. Wat voor een taal is dat?`, vroeg ik hem. `Afghaans.`, was het korte antwoord. Toen ik hem vroeg waarover het ging, keek hij me even lang aan door de achteruitkijkspiegel.

‘Het gaat over de oorlog, over hoe meer dan 40 verschillende landen zich met ons land bemoeien, zonder te begrijpen waar het over gaat’, was zijn antwoord. Toen ik opmerkte dat het dus over de Taliban ging, keek hij me kwaad aan. `Welnee man, dat is nou precies wat de media doet, zie je nou? Die Taliban is een groep niksnutten, extremisten, die problemen maken, maar geen politieke kracht heeft of zo. Dit gaat alleen maar over geld. Zijn telefoon ging en even later was hij in een verhit debat, vermoedelijk in het Afghaans.

‘Hier, mijn vriend hier zegt dat ik je moet zeggen dat het allemaal om drie dingen gaat: ten eerste is oorlog een goede business, en dus wordt er goed geld verdiend, ten tweede gaat het om onze nationale bronnen: alles wat we hebben, alles wat er maar in de grond zit wordt geplunderd en we kunnen ze niet tegen houden. Maar het derde punt is het belangrijkste. De Joden. Het zijn altijd de Joden die de schuld hebben.’

‘Zij hebben deze coalitie naar ons land gestuurd, onder het mom dat er hier terroristen zitten, wat onzin is. Ze zorgden ervoor dat de hele wereld nu de Moslims haat, wat een zonde is. Ze hebben alles in handen: het nieuws, de media, de kranten, de tv, de weekbladen en de media’ (hij zei al dat en tweemaal `media` zonder met zijn ogen te knipperen). De Joden hebben Irak kapot gemaakt, Syrië stuk gemaakt, het altijd en overal de Joden, altijd. Zijn vriend aan de telefoon gaf nog een extraatje in het Afghaans erbij, maar ik kon het niet verstaan.

‘Maar u leeft in Duitsland dus’, probeerde ik het onderwerp te veranderen. De man keek me weer aan alsof ik volkomen infantiel was. ‘Waar anders?’, vroeg hij me. ‘alleen Duitsland heeft de Joden een lesje geleerd. En het heeft misschien 70 jaar geduurd, maar Duitsland heerst nu economisch wereldwijd, en niet de Joden. Duitsland is het land waar je moet zijn als je deze kanker, die de hele wereld probeert te verwoesten, wilt bestrijden. Ikzelf heb een speurneus voor Joden en herken ze meteen. Mijn taxi komen ze niet in. Nee meneer!` Hij ging vrolijk door met zijn vriend, die nog steeds aan de telefoon was.

‘Dus u hebt een speurneus voor Joden’, ging ik heerlijk door. ‘Meneer ik ruik ze, ik zie het aan hun ogen. Mijn land is kapot vanwege de Joden. De wereld is een puinhoop vanwege de Joden. En met de hulp van de Profeet gaan we eindelijk het bestaan van de Joden in deze wereld beëindigen, Insjallah!’

Ik knikte vol begrip. Aangekomen op mijn bestemming was de rit € 9,50. Ik gaf de man een tientje en hield mijn hand uit voor het wisselgeld. Hij keek me verbaasd aan. ‘Wat?? U geeft geen fooi?’

Ik stapte uit de taxi.

‘Wij Joden geven geen tips aan idioten’, zei ik terwijl ik de deur dichtsloeg. Zijn stomverbaasde gezicht was mijn bonus voor de dag.

©Simon Soesan