‘In dienst’ – Een nieuwe column van Rob Fransman

In een artikel op deze website las ik dat de Nederlandse defensie een heus krijgsmachtsrabbinaat heeft dat maar liefst drie krijgsmachtsrabbijnen telt. Dat ons leger rabbijnen in dienst heeft wist ik wel. Twee, dacht ik, een orthodoxe en een liberale. Dat was al zo toen ik – heel lang geleden – deel uitmaakte van het LJG-bestuur. Menno ten Brink was toen tweede rabbijn van de LJG en “onze” rabbijn in het leger.  Ook nu is de jongste LJG-rabbijn weer legerrabbijn. Zo ontstaan tradities.

Wie in die dagen de orthodoxe rabbijn was weet ik niet. Wel herinner ik me dat er een discussie met de legerleiding was die vond dat er veel te weinig Joodse militairen waren voor twee rabbijnen. De Joodse besturen vonden het uiteraard hoogst noodzakelijk. Maar onder elkaar grapten we dat we er één voor de melk-eter en één voor de vleeseter hadden. Nu blijkt dat we zelfs drie legerrabbijnen hebben. De derde voor de minnich-eter zeker. Is maar een grapje hoor, die rabbinale zorg zal heus nodig zijn.

Toch kon ik na zorgvuldig lezen niet vinden hoeveel Nederlandse Joden in het leger dienen. Dat is een beetje jammer want het is toch best interessant om te weten. Ik ken niemand die in het leger dient. Wel heeft mijn vrouw een achterneef die de militaire academie in Breda heeft gedaan. Toen hij eenmaal officier was liep hij gillend weg en verhuisde naar Zuid-Franrijk. Daar is hij een min of meer bekende goeroe geworden die bezit- en geweldloosheid en vooral seksuele vrijheid propageert.

Een paar jaar geleden ontdeed hij zich van alles wat hij bezat. Daarna reisde hij door Europa en logeerde bij zijn volgelingen die hem in ruil voor zijn therapie onderdak verschaften. Uiteindelijk kwam hij in Israël terecht, zijn geboorteland. Volgens zijn website heeft hij een hoop volgelingen.

, een militaire opleiding leidt tot alles, dat zie je maar weer. Persoonlijk zou ik na een militaire opleiding liever iets met de IT doen zoals die in het Israëlische leger wordt ontwikkeld. Daar zijn veel Israëli’s rijk mee geworden. Maar geld interesseert onze neef allerminst.

Ik dwaal af. Het artikel deed me terugdenken aan mijn eigen diensttijd, heel lang gleden. Toen ik achttien jaar was stond ik een beetje alleen in de wereld. Ik woonde op een kamertje en had weinig contact met de overgebleven familie. Ik bezat schooldiploma noch opleiding en kende geen vak. Mijn lullige baantje als magazijnbediende bij een textielgroothandel beloofde niet bepaald een zonnige toekomst en toen de oproep voor militaire dienst kwam twijfelde ik nogal. Ik zag ertegenop maar aan de andere kant had ik niets te verliezen.

Met mijn onderduik achtergrond moet het makkelijk zijn geweest om onder de dienstplicht uit te komen. Maar ik beet liever mijn tong af dan de autoriteiten te vertellen dat ik Joods was. Dus ging ik braaf naar de keuring en werd goedgekeurd ondanks dat ik ooit als kind, door een ongeluk, zonder milt door het leven ging. Een medicijnenstudent adviseerde me dat het leger echt geen risico nam. “Als je de eerste keer dat je het marcheren niet bevalt zegt dat je pijn in je zij hebt, sturen ze je naar huis,” zei mijn vriend. Zogezegd, zo gedaan, maar dat viel tegen. Het leger oordeelde dat ik weliswaar voor vechten compleet ongeschikt was maar dat ik uitstekend een schrijfmachine kon bedienen. Dus werd ik naar de administratieschool in Kampen gestuurd en diende 21 maanden. Tot mijn eigen stomme verbazing bracht ik het zelfs tot sergeant.

In het stuk van Djenna Perreijn las ik dat het krijgsmachtsrabbinaat 75 jaar bestaat. Dat moet dus vlak na WOII zijn opgericht. Voor wie, voor wat? Welke overlevende ging dienstplichtig in dienst en onderwierp zich aan de discipline die nu eenmaal bij een leger hoort? Daar zou best eens een studie aan besteed mogen worden. Enfin, 14 jaar later (lichting 59/6) ging ik dus wel in dienst. Er was toen ook een legerrabbijn. Majoor Slachter heette die, hij nam wel eens contact met me op. Maar zoals ik al vertelde, ik wilde voor geen goud dat iemand wist dat ik Joods was en weigerde ieder contact. Achteraf gezien stapel mesjogge natuurlijk, maar dat is achteraf.

Toch heb ik geen spijt van mijn diensttijd. Van wat ik op die administratieve opleiding leerde heb ik altijd plezier gehad. En dat ik niet wilde weten dat ik Joods was? Jeugdige onbezonnenheid en onbenul. Al tientallen jaren wil ik heel graag weten dat ik Joods ben en dat mag iedereen weten.

‘t-Kan verkeren, zei Maimonides al. Oh nee, dat zei de Rambam helemaal niet. Het is een uitspraak van de dichter/schrijver/koopman Brederode in de 16de eeuw. Die was niet Joods. Maar Bredero was wel hoogbegaafd., hij had Joods kunnen zijn.

Want zijn we niet allemaal een beetje hoogbegaafd? Toch?

Ontvang gratis onze nieuwsbrieven!