‘Waterlooplein’ – Een nieuwe column van Rob Fransman

Mijn vriend Menno Nijkerk (Menno-LN)  stuurde me een prachtig ingekleurd filmpje over Amsterdam zoals het er 100 jaar geleden uitzag. Warm aanbevolen, dat wil zeggen de film. Het geluid kun je beter uitzetten want de kwijlende zingmeneer die zijn liefde over de Amsterdamse Jordaan blèrt is niet om aan te horen. Bovendien zijn de eerste beelden van de film zeker gemaakt in de Jodenbuurt. Alhoewel ik best geloof dat alle Amsterdamse arme buurten er min of meer hetzelfde uitzagen.

Het filmpje gaf me een reden om even naar het JHM te fietsen om daar “de Buurt Binnenstebuiten” over het Waterlooplein te gaan bekijken. Zoals altijd maakte de mensen van het museum er een mooie tentoonstelling van. Knap om in die vrij kleine ruimte achter de trap, met geluidsfragmenten, filmpjes en foto’s zo’n veelomvattend overzicht te kunnen maken. Op oude foto’s kijk ik altijd of ik nog iemand herken. Natuurlijk niet, maar het zou familie kunnen zijn. Tenslotte is mijn overgrootvader in de Uilenburgerstraat geboren.

Na de oorlog waren de nog niet gesloopte pandjes in de Joden– en St. Antoniebreestraat het domein van de stoffenhandel. Waar de huisjes nog overeind stonden was een groothandeltje gevestigd. Achter de wat stoffige etalageruiten lagen de rollen stof slordig opgestapeld. Smeer’s ongeregelde handel, Busnach partijhandel, Cardozo voor wollen stoffen! Enzovoorts. Waar de mensen de kracht vandaan haalden om tussen de ruïnes opnieuw te beginnen is me ook nu nog een raadsel. Er zou best eens een studie gedaan mogen worden waarom de teruggekeerde mannen juist de stoffenhandel als beroep kozen. Bij mijn weten was dat voor de oorlog geen typisch Joods beroep.

Ik kwam vaak in de buurt want mijn oom kreeg zijn oude baan terug als filiaalhouder van de Rotterdamse beddengroothandel van Cleeff. “Cleco nooit beter geslapen” was de leus van de firma. Toen ik het bedrijf, dat al lang niet meer bestaat, googelde vond ik tot mijn verwondering de toenmalige promotieartikelen zoals speldjes, suikerzakjes en sigarenbandjes(!) op een Franse veilingsite.

Ook mijn oom startte in 1946 in een uitgewoond winkeltje precies op de plek waar later het Maupoleum kwam. Dat werd al snel het lelijkste gebouw van Amsterdam genoemd en in 1994 gelukkig alweer afgebroken. Hoewel, wat ervoor in de plaats kwam verdient ook geen schoonheidsprijs. Hoe lelijk de nieuwbouw in de buurt is, juist in combinatie met het JHM en de Snoge, viel me weer eens op toen ik na het museumbezoek naar huis fietste.

Het lijkt wel of iedere architect zijn uiterste best deed om juist daar iets lelijks te ontwerpen. De gemeente Amsterdam had vroeger een schoonheidscommissie. Die heet nu Commissie Ruimtelijke kwaliteit en die vond (en vindt) alles goed als het maar groot en lelijk is. Ruimtelijk kwaliteit, je moet maar durven! Hoe haal je het in je hoofd om de monsterlijke Filmacademie recht tegenover de Snoge te zetten.

Natuurlijk was de buurt vroeger ook geen toonbeeld van schoonheid maar verloor zijn karakter definitief toen de Stopera werd gebouwd. Hoewel alles went vind ik nog steeds dat die Oostenrijkse meneer Holzbauer en Cees Dam nooit de kans had mogen krijgen om de stad zo te verpesten met die foeilelijke koektrommel. De grote tegenstand tegen de bouwplannen haalde niets uit. De Stopera kwam er. Gelukkig hebben de buurtbewoners wel de geplande vierbaansweg dwars door de stad en over de Nieuwmarkt tegen kunnen houden.

Toen ik teenager was kwam ik vaak op het Waterlooplein. Kopen deed ik er zelden iets. In de familie gaat nog altijd het verhaal rond over mijn toen studerende en ietwat kakkineuze broer. Die had een fotografiehobby en zocht een vergrotingsapparaat. Toen hij er een op het plein vond vroeg hij de koopman wat die kostte. De koopman had geen idee wat het voor een ding was. “Geef maar een joetje,” zei hij. “Een joetje?” antwoordde mijn broer, “da’s veel te veel, ik bied 25 gulden en geen cent meer!” 

Enfin, de markt is verworden tot een matige toeristenattractie waar de schaduw van de Stopera alle gezelligheid doodslaat. Nu, na bijna 40 jaar, heeft de gemeenteraad in haar wijsheid bedacht dat er in de blinde wand van het gebouw alsnog winkeltjes mogen komen. De paar handelaren zijn erop tegen. Dat kan ik me wel voorstellen. “Het laatste stukje echt Amsterdam verdwijnt,” zeggen ze. Ach lieve mensen, dat verdween 75 jaar geleden al.

Ontvang gratis onze nieuwsbrieven!